Een graf in Corinthe

Iemand zei eens tegen me dat ik, als ik een acanthus wilde, geen Acanthus mollis moest nemen, de meest gangbare soort, maar de veel mooiere A. spinosus. Als gevolg van deze toevallige opmerking is mijn tuin drie jaar lang acanthusvrij gebleven, want deze stekelige soort is veel moeilijker te vinden dan zijn zachtere broeder.

Er is geen gebrek aan verdere acanthussoorten, zoals A. hungaricus (ook bekend als A. longifolius, en A. mollis latifolius, maar als je je zinnen nu eenmaal op een spinosus hebt gezet zouden dat net zo goed geraniums en lobelia's kunnen zijn. Graham Stuart Thomas beschrijft hem zeer verlokkelijk (in Perennial Garden Plants: ""De bladeren van deze soort zijn zeer fraai, donkergroen, ongeveer 60 bij 90 cm, diep ingesneden, met stekelige punten, rechtopstaand maar gebogen,'' en hij citeert een beschrijving van E.A. Bowles die zelfs nog overtuigender is: ""A. spinosus is de soort wier klassieke reputatie en architecturale roem berust op de Corinthische kapitelen, en een van de beste om te kweken, waar zijn bladeren de schoonheid van het scherp ingesneden omtrek toevoegen aan het kolossale formaat van de mollis.''

Het getuigt misschien van een wat merkwaardig plantensnobisme om een plant waaraan zulke klassieke associaties zijn verbonden hoger aan te slaan, maar de gedachte in je eigen tuin de bladeren te laten groeien die het Corinthische kapiteel ten voorbeeld zijn geweest is onweerstaanbaar. Het werd een beetje een zoektocht om der wille van het zoeken en er was trouwens toch geen plaats voor in de tuin.

Maar vorige week was ik in Ierland. In Fernhill, een tuin in Sandyford, Co. Dublin om precies te zijn, en daar zag ik enorme massa's acanthussen, met merkwaardige witgetinte bladeren. Ik kon ze niet identificeren en dacht: wat doet het er ook toe, ik kan er toch niet een bemachtigen. Maar Fernhill is een van die speciale tuinen die er ook een kwekerij op nahouden, en daar, tussen allerlei minder exotische planten, stond de geheimzinnige acanthus, geëtiketteerd als "Lady Moore' (die een enthousiast tuinierster was en echtgenote van Sir Fredrick Moore, conservator van de Botanic Gardens in Dublin van 1878 tot 1911).

Toen ik hem later opzocht in Graham Stuart Thomas ontdekte ik dat het (oh frabjous day) een cultivar is van A. spinosus: ""Sinds lang bekend in Ierland, waar hij gekoesterd werd door Lady Moore, een vorm waarvan de bladeren in het voorjaar zo dicht gevlekt zijn met romig wit dat ze zilvergrijs lijken te zijn.'' In The Plant Finder (waarover een andere keer meer) zag ik dat deze vorm op de Britse (en Ierse) eilanden alleen maar verkrijgbaar is bij deze Fernhill kwekerij in Co. Dublin; als ik er speciaal voor was gekomen zou de laatste vermoedelijk net zijn verkocht.

Een van deze acanthussen staat nu dus in mijn hof, misschien wel de enige in Holland, na de krenkingen van in kranten verpakt en over twee zeeën te worden gevlogen tot dusver overleefd te hebben. Er is als het moet altijd wel een plaatsje in de tuin wanneer je een nieuwe plant hebt; ik perste Lady Moore in een ruimte die gereserveerd was voor wat eenjarigen. Laten we hopen dat het haar daar naar de zin is. Christopher Loyd zegt: ""Acanthussen houden er niet van verplaatst te worden, doen er lang over voor ze gevestigd zijn, maar als dat eenmaal gebeurd is zijn ze moeilijk weg te krijgen. Als ik U zeg dat U zijn plek zorgvuldig moet uitkiezen teneinde er zeker van te zijn dat U hem niet op een later tijdstip moet verplaatsen, moet ik daar aan toevoegen dat ik er nooit in geslaagd ben mij aan mijn eigen advies te houden.''

Wanneer het Corinthische kapiteel je alleen maar vaag voor de geest schemert is het gemakkelijk om je voor te stellen dat er acanthusbladeren op zitten; maar als je een tekening met de plant zelf vergelijkt vraag je je af of het hele verhaal niet een antieke grap is. Iemand die daar blijkbaar ook zo over dacht was de 18de-eeuwse tuinier John Hill: ""Wij zijn verwonderd als we naar Corinthische kapitelen kijken [...] een blad te zien dat zo weinig lijkt op wat de Overlevering vertelt en vragen ons af wat de werkelijke smaak van de Ouden was, die zo universeel wordt bewonderd; maar dit is slechts de wilde vlucht der Verbeelding.''

De Verbeelding, bij monde (of door middel van de schrijfstift) van Vitruvius, verschaft ons ook de oorsprong van het gebruik van het acanthusblad in de architectuur. Het verhaal gaat als volgt: ""Een vrijgeboren maagd van Corinthe, van huwbare leeftijd, werd aangetast door een ziekte en stierf. Na haar begrafenis vergaarde haar min enkele kleinigheden waar het meisje in haar leven behagen in schiep en deed ze in een mand; zij bracht die naar het graf, plaatste haar er op en dekte haar af met een dakpan, opdat deze dingen blootgesteld aan de buitenlucht minder snel zouden vergaan. Deze mand stond toevallig juist boven de wortel van een acanthus. De acanthuswortel, neergedrukt onder het gewicht, bracht toen het lente werd in het midden bladeren en stengels voort en de stengels die opgroeiden langs de zijden van de mand, neergedrukt door de hoeken van de dakpan onder de druk van haar gewicht, werden aan de buitenkant gedwongen zich om te buigen in voluten.

Callimachus, die de Atheners katatexitechnos noemden om de verfijning en de vindingrijkheid van zijn kunstwerken, kwam langs het graf en zag de mand met de tere jonge bladeren die er omheen groeiden. Verrukt door de nieuwe stijl en vorm bouwde hij voor de Corinthiërs enkele zuilen naar dat patroon, bepaalde hun symmetrische verhoudingen en legde vanaf dat tijdstip de voor de Corinthische orde te volgen regels vast.'' (Boek IV, 1:9-10)

Welke acanthus het was daar op dat graf in Corinthe, een mollis of een spinosus, dat vermeldt Vitruvius helaas niet. Hoe dan ook, een "Lady Moore' zal het niet geweest zijn. Moge zij gedijen, in haar ballingschap, ver van de zachtere luchten van Ierland; als zij er de tijd voor neemt om zich te vestigen zal zij tegen manden en dakpannen bestand zijn.