Dierenbescherming: Gabor misleidt senaat

HILVERSUM, 20 JUNI. De Eerste Kamer is door staatssecretaris Gabor (natuurbeheer) verkeerd voorgelicht. Dat zegt het bestuur van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren.

Volgens Dierenbescherming bestaat de onjuiste voorlichting daarin dat Gabor die de particuliere inspectie dierenbescherming bij de Algemene Inspectie Dienst (AID) van het departement wil onderbrengen, aan de Eerste Kamer heeft laten weten dat de AID en de Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming daarover al voorbereidend overleg voeren.

De Dierenbescherming heeft donderdag geprotesteerd tegen die voorstelling van zaken. Op 12 december 1991 had zij de staatssecretaris laten weten niets te voelen voor onderbrenging van haar inspectiedienst bij de algemene inspectiedienst, waarop - in afwachting van een antwoord - alle overleg met de AID werd opgeschort. Gabor heeft de Dierenbescherming nog niet geantwoord op de brief van december, maar in de Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer wel te kennen gegeven het onderbrengen van de inspectiedienst dierenbescherming bij de AID te zullen doorzetten. De antwoorden van de staatssecretaris werden gegeven in het kader van de behandeling in de Eerste Kamer van de nieuwe "gezondheids- en welzijnswet voor dieren'.

Volgens een mededeling van het ministerie van landbouw van gistermiddag zit de protestbrief van de Dierenbescherming van eergisteren ergens “in het circuit” en is die in ieder geval nog niet door Gabor gelezen.

De Stichting Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming is een particuliere instelling die op dit moment - om haar tien inspecteurs opsporingsbevoegdheid te geven - bij de rijkspolitie is ondergebracht. Het ministerie subsidieert deze dienst voor een bedrag van vierhonderdduizend gulden op een totale begroting van ruim 1,8 miljoen. De dierenbescherming financiert zelf het resterende bedrag. In totaal telt de dienst zeventien beroepskrachten en een honderdtal vrijwilligers. “Onze ogen en oren”, noemt directeur mr. D.Th. van Oers die laatste groep. Zij signaleren misstanden die de tien districtsinspekteurs “justitieel afhandelen”. Dat gebeurt in vele gevallen in samenwerking met politie en/of de AID.

Volgens Van Oers is deze samenwerking alleen maar functioneel omdat zijn mensen buiten de AID staan. “De AID-ambtenaren zijn volledig afhankelijk van de aansturing door het ministerie”, zegt hij. “Zodra wij onder de AID zouden vallen, zou Landbouw ook voor ons gaan bepalen wat wij mogen controleren.”

Bij de Dierenbescherming ziet men dat als een schrikbeeld. “Wij kennen Landbouw als een krachtig georganiseerd ministerie, economisch gericht waar de mensen van natuurbeheer en dierenbelangen in een minderheidssituatie verkeren”, reageert voorzitter H.M. Reilingh. De ervaring binnen zijn organisatie is dat subsidiëring van de inspectiedienst dierenbescherming door het ministerie van Landbouw altijd vergezeld gaat van beperkingen van de controlefunctie van de dienst. Zo werd jaren geleden al vastgesteld dat de inspectiedienst dierenbescherming de controles op het mestkalverenbesluit moest overlaten aan de AID. Op dit moment gaan er binnen het departement stemmen op om de AID de controle van de hele veehouderij te laten doen en de inspectiedienst dierenbescherming uitsluitend in stedelijke gebieden te laten opereren.

Van Oers en Reilingh vinden dat Gabor in zijn antwoord aan de Eerste Kamer de controle in de veehouderij door alleen de AID, te rooskleurig heeft voorgesteld. Zonder ondersteuning door hun inspectiedienst betekent dat een verdubbeling van de controletijd zowel als de tijd die vervolgens nodig is voor het verwerken van de gegevens.