DE VERLEGENHEID VAN DE SOCIALE STIJGER

"Die hoeft nooit meer wat te leren'. Levensverhalen van academici met laaggeschoolde ouders door Jan Brands 352 blz., SUN 1992, f 39,50 ISBN 90 6168 369 6

Henk Kruithof (44, universitair docent onderwijskunde) kan ze zich nog goed herinneren, die visites van vroeger. Dan kwamen er een oom en tante langs, werd er koffie gedronken en was het soms wel een kwartier stil voordat iemand weer eens wat zei. Na drie uur gingen ze weg en zeiden ze: ""Wat was het weer gezellig, hè?''

Zelf zei Henk ook niet veel. Henk was een beetje een beschouwer, hij leek er niet echt bij te horen. Op school was hij bevriend met het zoontje van de directeur van de fabriek, ook een bolleboos. Niet dat Henk zich daar nou thuis voelde: de moeder van dat vriendje zat vaak zomaar te lezen, en als ze wat tegen hem zei gebruikte ze woorden die hij niet begreep. Er was ook een echte wc, met verwarming erin. Bij Henk thuis hadden ze een tonnetje dat één keer per week werd geleegd bij de rabarber en de kruisbessen.

Nu, dertig jaar later, heeft Kruithof een goede positie op de universiteit. Toch gaat het hem allemaal niet even vlot af als de anderen. In zijn werk blinkt hij uit, maar aan de lunchtafel met collega's weet hij vaak niet wat hij moet zeggen. Eigenlijk staat hij er nog steeds buiten.

Henk Kruithof - de naam is gefingeerd - is een van de zeven personages in Die hoeft nooit meer wat te leren, het proefschrift waarop onderwijssocioloog Jan Brands vorige maand promoveerde. Personage is het juiste woord, want Die hoeft nooit meer wat te leren lijkt weinig op een proefschrift in de traditionele zin van het woord. Het boek is de weerslag van gesprekken met zeven kinderen van laaggeschoolde ouders, die een met die van Henk vergelijkbare carrière hebben gemaakt. Brands wilde weten hoe het voor hen was - en nog steeds is - om te leven tussen twee werelden: een laaggeschoolde en een hooggeschoolde.

Het proefschrift is tamelijk uitzonderlijk, want het meeste onderzoek op dit gebied is gebaseerd op representatieve steekproeven. Van honderden leerlingen houdt de onderzoeker een tijd lang de prestaties bij, waarna aan de hand van cijfers conclusies worden getrokken. Die hoeft nooit meer wat te leren gaat over hoe het voelt om als arbeiderskind goed te kunnen leren, van je ouders te vervreemden en in je nieuwe milieu opnieuw een outsider te zijn.

GEWOON IJVERIG

In feite is dit een literair onderwerp en het is dan ook niet voor niets dat Brands zijn proefschrift als motto de uitspraak "Leren voor doctorandus, godsjongens nog aan toe' uit De gevarendriehoek van A. F. Th. van der Heijden heeft meegegeven. Toch voegt Die hoeft nooit meer wat te leren door het simpele feit dat het hier om bestaande personen gaat, wel degelijk nog iets toe aan boeken als die over het arbeiderskind Albert Egberts. Uit de soms verbluffende anekdotes wordt duidelijk dat de zeven door Brands geinterviewde carrièremakers eindelijk hun verhaal kwijt konden - en dat er op universiteiten en elders heel wat mensen moeten rondlopen met een zorgvuldig verborgen gehouden verleden.

Want Henk was niet de enige die thuis en op school anders was dan de rest, een goede reden om overal waar je komt je wat gedeisd te houden. Op de middelbare school (HBS of gymnasium) waren het eigenlijk alle zeven stille, hardwerkende leerlingen. Op school had Sarah Jacobs (41, universitair docente sociologie) altijd de angst om door de mand te vallen. ""Die docenten konden zo vanzelfsprekend doen over allerlei dingen. Ze zeiden: daar en daar in Italië, of: daar en daar in Frankrijk. Dat leek dan vreselijk normaal. Maar voor mij was dat helemaal niet normaal.'' Sarah had wel een vriendin, maar daar kwam ze liever niet aan huis: ""Het was altijd eng om daar te zijn. Dan zei die moeder iets dat ik niet goed snapte. En haar vader schilderde in zijn vrije tijd en die sprak over muziekinstrumenten. Daar wist ik allemaal niets van.''

Op de universiteit gaat het wat dat betreft beter. De zeven hebben allemaal een sociale wetenschap gestudeerd - Brands heeft hen uit zijn kennissenkring geselecteerd -, waar verhoudingsgewijs meer studenten uit lagere milieus terechtkomen dan bij studies als rechten of geneeskunde. Veel zijn het er overigens niet: ongeveer 13 procent van de universitaire studenten heeft ouders met alleen lagere school danwel een paar jaar ambachts- of huishoudschool.

Vooral voor degenen die op het platteland op een gymnasium hadden gezeten - in de stad was er nog de keuze tussen elitaire en minder elitaire scholen - was de studietijd een verademing, ook al hadden de meesten weinig affiniteit met studentenverenigingen of met de net in die tijd opkomende studentenbeweging. Die laatste bestond in de ogen van Marian van Dijk (41, psychologe), voornamelijk uit ""jongens met een behoorlijk geaffecteerde uitspraak, die dan vertelden dat de arbeiders andere wensen hadden of hiermee niet gediend waren. Daarbij heb ik toch altijd het gevoel gehad: volgens mij vergis je je, mijn vader wil dit helemaal niet, die heeft er geen benul van waar jij het over hebt.''

VOORTDUREND GEVECHT

De zeven hebben het hoofd boven water weten te houden door goed en hard te werken. Hun ambities zien ze als ""een reactie op je eigen verlegenheid, die zich in de loop der tijd manifesteert als een sterke behoefte om je te profileren'' (Bart Folkerink, 45, universitair bestuurder).

Al voor het schrijven van zijn proefschrift huldigde Jan Brands, ook zelf een kind van laaggeschoolde ouders, de opvatting dat een dergelijke achtergrond in de loop van een mensenleven steeds een andere inhoud krijgt. Steeds weer weten mensen als hij de suggestie te wekken dat ze het sociale spel doorhebben. Goede observatoren als ze zijn, registreren ze de codes en spelen ze mee.

Waarschijnlijk is dat de belangrijkste conclusie van Die hoeft nooit meer wat te leren: de achterstand van academici met laaggeschoolde ouders wordt nooit echt ingehaald, wat ze ook bereiken. Hun leven is een voortdurend gevecht om acceptatie, een gevecht dat zich niet in de laatste plaats in het eigen hoofd afspeelt. Wat dat betreft, is het jammer dat de personages in het boek wat ondoordringbaar blijven: veel twijfels en frustraties lijken ze maar liever voor zich te hebben gehouden. Vooral het hoofdstuk over de schooltijd, toch een van de meest gevoelige periodes, is wat vlak. Maar daarvoor leze men literatuur.