De Bijlmermeer is prachtig; Een pleidooi voor de Derde-Wereldstad van de toekomst

Is de Bijlmermeer - zoals algemeen wordt aangenomen - een onleefbare, sloopklare uithoek van Amsterdam geworden? De komende weken beslissen de ledenraad van woningbouwvereniging Nieuw Amsterdam (25 juni), het Stadsdeel Bijlmermeer (7 juli) en de centrale stad (7 of 8 juli) over de toekomst van wat eens de droom van licht, lucht en ruimte was. Er is een plan dat voorziet in sloop van de "probleemflats' Gerenstein en Geinwijk, verplaatsing van het winkelcentrum Ganzenhoef en verlaging van de hoge Bijlmerdreef. Maar wat krijg je dan? En waarom wordt er zo slecht geluisterd naar de huidige bewoners van deze bijna-perfecte Derde-Wereldstad?

Ik woon in de Bijlmermeer, het meest besproken en grootste stukje buitenland van Nederland. Gezien uit het centrum van Amsterdam, waar het publieke debat over de veranderende stad wordt georganiseerd, woon ik in een rampzalige buitenwijk. De Haagse en plaatselijke bestuurders hebben de Bijlmermeer vanaf het heien van de eerste paal behandeld als een buitenvrouw. U weet, een man is afhankelijk van een buitenvrouw en om die zwakte te verbloemen heeft hij een lage dunk van haar.

Maar hoe ziet een buitenvrouw degene die haar tot buitenstaander bestempelt? De buitenvrouw is het centrum van haar eigen leven en dat van haar kinderen. Die man komt en gaat, je weet nooit hoe zijn pet zal staan. Hij is van de buitenwereld en probeert over haar te heersen door haar voor allerlei lelijks uit te maken. Zij weet wel beter, maar ze is niet in de positie om van de daken te schreeuwen dat hij de buitenman is en zij gewoon een één-oudergezin.

Zo is het ook met het buitenland waar ik woon. Nederland heeft het laten ontstaan en is er afhankelijk van, maar is er altijd halfhartig mee omgegaan. Nu eens werd de Bijlmer genegeerd terwijl ze haar voor de Nederlanders nuttige opvangtaak vervulde, dan weer stopte het machtscentrum haar de meest dure cadeaus toe om vervolgens te mopperen dat de buitenvrouw handenvol geld kostte en desondanks arm bleef. De verhouding is zelfs zo verslechterd dat de buitenvrouw met geweld wordt bedreigd.

Als in een kathedraal

De Bijlmermeer is een Derde-Wereldstad. Als je erheen verhuist, duurt het even voordat de inwoners van het eeuwenoude centrum je weten te vinden, die dan steevast van mij willen horen hoe ik "daar' kan wonen. Een grijsgedraaide vraag verdient een welgemikt antwoord: het is er groen, het is er internationaal en mijn woning is ruim en niet duur. Bovendien heb ik vanaf de tiende etage een adembenemend mooi uitzicht over de skyline van Zuidoost en pik ik het mooiste van Holland mee: de luchten.

De Bijlmermeer is prachtig. In de hoven tussen de flats klinkt nachtelijk vogelgezang als in een kathedraal. Ik maak graag een wandeling in de mistige vroege ochtend, van Groeneveen, via de imposante metrobaan in het hart van de wijk, met aan weerskanten 33 zuilen, op 33 meter afstand van elkaar, langs het watertje met de naam Grubbezee, naar de majestueuze gebouwen met hun deftige of juist vreemde namen (Koningshoef of Grunder), hun steeds verschuivende doorkijkjes en hun kralensnoer van lichtjes op de schacht van de liften. Het is een esthetisch genoegen zonder weerga. Alles is zo groot, wonderlijk en beschermend, zoals de wereld eruit zag toen ik drie jaar was.

Op vrijdag- of zaterdagavond ga ik dansen in Ganzenhoef, in vervallen feestzalen die onder de weg zijn verstopt, tussen slecht verlichte pilaren en donkere spelonken. Hier en daar staan groepjes frisgewassen en gaaf gefriseerde uitgaanstypen even een luchtje te scheppen, terwijl je een pilaar verder de vaste verslaafden met hun aardappelmesjes en aluminiumfolie voorovergeboven ziet mieren. Iedereen gebruikt die door Oscar Newman niet-defensible geachte space zoals het hem goeddunkt. Het nachtleven in de Bijlmermeer kan wel wat hebben. De levendigheid van de tegen elkaar in spelende muzieksoorten, melanges van alle continenten, tovert die onderwereld om tot een knus dorp.

We zijn allemaal familie van elkaar, ook zonder dat we elkaar kennen. Te verkeren tussen al die ontwortelde, half of dubbel gewortelde mensen is een vertrouwd gevoel voor mij. Een gevoel van welbehagen, dat ik in de binnenstad nooit heb gekend, omdat daar altijd autochtone Jordanezen en dito Nieuwmarktbewoners waren die zich verschansten tegen "import' en "alternatievelingen'.

In de Bijlmermeer is iedereen import en niemand autochtoon, of het moet achter de eigen voordeur zijn. Anders dan op het terras van IJssalon Tofani hoef je nergens bij te horen, maar omgekeerd komt ook de neiging om je te profileren tegenover een bepaald milieu niet in je hoofd op. Voor het eerst van mijn leven woon ik tussen wereldburgers, mensen die een radicale breuk in hun leven hebben meegemaakt. Samen met de leegte, de ruime schaal van de wijk schept dat voor mij een aangename sfeer.

Intussen zitten we mooi met de gebakken peren in die "betonnen opeenhoping van sociale ontwrichting', zoals de VPRO het standpunt van de buitenwereld onlangs verwoordde. Er is nooit een serieus maatschappelijk debat geweest over de Bijlmermeer en dat wreekt zich nu dat debat eindelijk is begonnen. De standpunten lagen al vast, de clichés liggen klaar. Mensen meten met twee maten als ze over de Bijlmer praten: wat elders sjiek staat, zoals een overdadig groene woonomgeving, wordt daar afgedaan als onveilig en overbodig. Overlastproblemen in de binnenstad leiden niet tot het afkeuren van de stedebouwkundige opzet daarvan. Er schijnen in het Wallengebied meer lantaarnpalen te worden vernield dan in Zuidoost, maar niemand wijt dat aan enig intrinsiek architectonisch kenmerk van de rosse buurt.

Mode

De historie van de Bijlmermeer geeft een transformatie te zien van een woonoord voor de middenklasse, geboren uit vooroorlogse idealen van licht, lucht en ruimte, ver van het gezwoeg van fabriek en kantoor, tot een Derde-Wereldstad aan de rand van Amsterdam, zonder herkenbaar Nederlands stedelijk openbaar leven. Er is heel wat fout gegaan. De uitgangspunten van de ontwerpers zijn door bezuinigingen op de uitvoering en bestuurlijk falen niet ten volle gerealiseerd. Wat een hoopvol experiment had moeten worden, waar Amsterdam trots op wilde zijn, ontaardde in een lelijk eendje. Maar ik voorspel u, de Bijlmer komt nog eens in de mode. Het duurt niet lang meer of het wordt trendy om autovrij en multi-cultureel te wonen, als de draconische sloopplannen die ontwikkeling niet in de kiem zullen smoren.

In het proefschrift van Maarten Menzel, "De Bijlmermeer als grensverleggend ideaal' (1989) staat beschreven hoe weinig het politieke bestuur had nagedacht over de praktische effecten van het bouwen in langgerekte honingraten. De stichtingskosten zijn bij een dergelijke bouwwijze hoger. Ook de kosten voor het beheer zijn ongehoord hoog in de Bijlmermeer, door de vele semi-openbare ruimtes en gedeelde technische installaties. Er moeten bij voorbeeld 12 kilometer binnenstraat en 1700 lifthallen worden schoongehouden, een situatie die zich in torenflats niet voordoet.

Daar kwam nog bij dat de kersverse Bijlmermeer vlak voor de onafhankelijkheid van Suriname een voor toenmalige begrippen groot aantal migranten moest opvangen. Die migratie was te voorspellen, maar Nederland heeft geen sociaal-economische of sociaal-culturele begeleiding geboden om de entree in de natie soepel te laten verlopen. Dit patroon herhaalde zich later bij de volgende migratiebewegingen. Met alle gevolgen van dien: na het "Surinaamse drugsprobleem' volgden het "vluchtelingenprobleem' en het "Antillianenprobleem'; onlangs is daar het "Ghanezenprobleem' aan toegevoegd.

Grillige werkelijkheid

Nederland heeft altijd gehoopt dat het voldoende was als migranten naar het vangnet van de verzorgingsstaat werden doorgesluisd. Door gul welzijnssubsidies uit te delen aan handige voormannen, hoopte de overheid de problemen toe te dekken. Door de combinatie van duur beheer, een gemengde bevolking en lage inkomens sloeg begin jaren tachtig de niegus toe. De instanties hadden geen antwoord op de specifieke eisen die een wijk als de Bijlmer stelt. Hun traditionele routines en procedures pasten niet op de grillige werkelijkheid: tegelijk grootschalige en intensief bewoonde complexen, met een uiterst pluriforme, grotendeels arme bevolking. De leegstand steeg tot boven de twintig procent, overigens samenvallend met de bouw van nieuwe wijken elders in Zuidoost, waar veel voormalige hoogbouwbewoners heenvluchtten.

In recordtijd werd een reddingsplan gemaakt, met vèrgaande en kostbare maatregelen, om de positie van de Bijlmerhoogbouw op de Amsterdamse woningmarkt te verbeteren. Achteraf is de in 1985 opgetreden schaarste op diezelfde woningmarkt de Bijlmer méér te hulp geschoten dan het hele reddingsplan, volgens een rapport van het Wijkopbouworgaan Bijlmermeer.

Ondanks de spectaculair gedaalde leegstand bleef het verhuiscijfer veel te hoog. In de huidige, ingrijpende vernieuwingsplannen proef je het cynisme dat in de tweede helft van de jaren tachtig geleidelijk is ingetreden. Men gelooft niet meer in de Bijlmer. Men legt zich neer bij het halfafgemaakte produkt en doet geen moeite meer om het met respect voor het oorspronkelijke ontwerp af te maken. Het is niet zo'n grote stap van het berusten in de wachtkamerfunctie van de Bijlmermeer, als een opvanghuis voor starters op de woningmarkt en nieuwkomers in Nederland, naar een stemming waarin de maat plotseling vol is en het roer drastisch om moet. Weg met die onbeheerbare ondingen! Weg met het stedebouwkundige ontwerp zelf!

Dat is de onuitgesproken houding achter het in november 1990 genomen gemeenteraadsbesluit over de Bijlmermeer. Het besluit voorziet in de sloop van een kwart van de flats en beter en duurder maken van nog een kwart. Volgens de analyse van de Werkgroep Toekomst Bijlmer, waar het raadsbesluit op is gebaseerd, is het kernprobleem van de Bijlmermeer het overaanbod van sociale woningbouw van één type op één locatie. Helaas is in het verleden gebleken dat die probleemdefinitie de oplossing niet naderbij brengt. En wordt op die manier voorbijgegaan aan de eisen die een multiculturele samenleving van grotendeels minima stelt.

Belangrijker nog is dat het marktgerichte denken over de Bijlmer blind is voor de waardering van bewoners voor hun eigen woonmilieu. Bewoners nemen de stedebouwkundige structuur van de Bijlmermeer voor wat die is. Ze waarderen de ruime woningen en het vele groen. Waar ze sinds jaar en dag over klagen zonder dat er iets aan wordt gedaan is de vervuiling, verloedering en criminaliteit. In het raadsbesluit heet het dat een ""drastische doorbreking van de stedebouwkundige structuur'' de problemen moet oplossen, maar daar geloven bewoners niet in, ze hadden gevraagd om intensivering van het beheer.

Klusjesteam

Tot op de dag van vandaag zit de Bijlmermeer met de erfenis van een in 1983 van bovenaf opgelegde operatie: één woningcorporatie kwam in de plaats van de 15 woningbouwverenigingen die daarvoor de Bijlmer beheerden. Ondanks goede bedoelingen en de inzet om van Nieuw Amsterdam een modelcorporatie te maken, pakte het in de praktijk teleurstellend uit. Er is heel wat bereikt, dat zeker, maar de centralistische, afstandelijke aanpak van de woningcorporatie slaat de plank mis in onze Derde-Wereldstad. Bewoners hebben geen boodschap aan een mooi hoofdkantoor, haarfijne procedures en professionele aannemers; zij willen gewoon een aanspreekpunt en een klusjesteam op loopafstand waar ze met reparatieverzoeken terecht kunnen.

Ook de instelling van het Stadsdeel Zuidoost in 1987 bracht onvoldoende soelaas. Net als de andere stadsdelen kampt ook Zuidoost met een tekort aan financiële middelen en ambtelijke capaciteit, zodat de opdracht om van de decentralisatie een daadwerkelijke verbetering te maken, niet kan worden gehaald.

Zelfs het prachtige nieuwe winkelcentrum Amsterdamse Poort heeft bij de bewoners van de hoogbouw in de Oost-Bijlmer gemengde gevoelens opgeroepen. Het ontstaan van "goede' en "slechte' flats wordt erdoor in de hand gewerkt. Nieuw Amsterdam wijst in zoveel mogelijk flats woningen toe aan mensen met een baan, maar in de meer verwaarloosde flats lukt dat niet, waardoor daar de negatieve spiraal almaar doorgaat. Ook de Reiniging zet zijn personeel hoofdzakelijk in rondom de Amsterdamse Poort. Aan preventief werken om de vervuiling een halt toe te roepen, komt men niet toe, zodat ook hier een ontmoedigend beeld van eeuwige, zinloze herhaling opdoemt. Er zijn in Zuidoost maar twee Reinigingsagenten om vuilakken te verbaliseren. Het personeel, hier en daar geholpen door vrijwilligers, mag de over het balkon geworpen etensresten opruimen. Dag in, dag uit.

Hoe zien bewoners hun leefmilieu? Ze waarderen over het algemeen de combinatie van het fraaie parklandschap met de ruime autowegen. De Bijlmermeer is in potentie een wijk van de toekomst, waar autovrij wonen samengaat met goede bereikbaarheid. De vele anonieme openbare ruimtes maken de wijk onveiliger dan was bedacht. Het voorzieningenaanbod op het gebied van horeca en commerciële recreatie is slechter dan in welke andere Amsterdamse wijk ook. De afhankelijkheid van veel gedeelde installaties (zoals liften) en onafzienbare semi-openbare ruimtes maakt de flats kwetsbaar voor verkeerd gebruik.

Er is niet voorzien in formeel toezicht op de wijze van bewoning. Voorlichting en begeleiding maken geen deel uit van de verhuurprocedure. Toen Nieuw Amsterdam werd opgericht, was het betuttelende woonbeschavingsoffensief al afgeschaft. Maar er is ook geen nieuwe vorm van burgerzin voor in de plaats gekomen, terwijl die in een wijk als de Bijlmer voor de hand ligt. Alleen al uit contractueel oogpunt, in de verhouding tussen rechten en plichten van huurders en verhuurders, kan een nauwkeurige omschrijving van een duurzame, zuinige wijze van bewoning niet ontbreken, omdat anders de servicekosten uit de hand lopen en het vereiste niveau van dienstverlening niet meer kan worden gehaald.

Blanke Nederlanders die de veelkleurigheid niet waarderen, zijn voor zover ze iets te kiezen hebben al uit de Bijlmer verdwenen. Maar de kans bestaat dat door het snoeien in de verzorgingsstaat de blanken zonder de luxe van het kiezen in ressentiment en zondebokdenken zullen vervallen. De unieke multiculturele, Caraïbisch-Afrikaanse gemeenschap rondom Ganzenhoef zal door de voorgenomen sloop van Gerenstein en Geinwijk in elk geval worden beroofd van haar hart. Wie is er rouwig om in Nederland?

Tegen de vlakte

De Stuurgroep Vernieuwing Bijlmermeer, ingesteld op grond van het voornoemde gemeenteraadsbesluit, speelt een uiterst dubieuze rol in het op gang gekomen debat. In de publiciteit prijst ze de multi-culturele samenleving, roemt ze de potenties van de wijk en kondigt ze aan dat het haar vooral gaat om de investering in mensen. Met nadruk werd gesteld dat er eerst bijgebouwd zou worden - voor starters die hun "wooncarrière' binnen de Bijlmer willen voortzetten en voor nog aan te trekken, meer bemiddeld publiek - en dan pas gesloopt. De Bijlmer moest immers voller worden in plaats van leger. Aldus zou het "draagvlak' groter worden en kon eindelijk het ontbrekende voorzieningenniveau worden aangevuld. Tegelijkertijd zouden de werkgelegenheid en het etnisch ondernemerschap een krachtige impuls krijgen.

Dit mooie verhaal strookt niet met een belangrijk onderdeel van de onlangs gepresenteerde voorstellen voor het eerste "aktiegebied' rondom Ganzenhoef. Vooral het idee om de moeilijk te beheren flats Geinwijk en Gerenstein tegen de vlakte te gooien, lijkt in strijd met de intentie om eerst bij te bouwen en om te investeren in de multi-culturele bevolking.

Worden straks alle moeilijk beheerbare flats afgebroken? Zo ja, waarom zijn drie van die "slechte' flats dan aangewezen als "modelflat', om te experimenteren met intensief beheer? Met andere woorden, het kan nooit het enige argument zijn voor sloop. De werkelijke reden om juist deze gebouwen af te breken is waarschijnlijk eerder het voor beleggers aantrekkelijke bouwterrein dat na de kaalslag vrij zal komen.

Bovendien is het vervangen van 800 huursubsidietrekkers door woningbezitters wel een erg letterlijke manier om het "draagvlak' van een buurt te vergroten. De indruk ontstaat dat het erom begonnen is de bevolkingssamenstelling blanker en rijker te maken. Het scheelt een slok op een borrel als je al die mensen uit Geinwijk en Gerenstein niet meer naar taalcursussen, scholingen en werkstages hoeft te sturen. Dat klusje mogen de andere stadsdelen of gemeentes (vooral de namen Purmerend en Almere vallen als kandidaatopvang) opknappen.

Vertrekmotieven

Het gaat er de komende tijd om het gat tussen de rigoureuze, van bovenaf opgelegde voorstellen en de werkelijkheid van de Bijlmermeer op te vullen met een manier van denken die wèl aansluit bij de behoeften van de bewoners. Uitgangspunt daarbij is de kennis over vertrekmotieven en knelpunten per flat. Uit onderzoek blijkt dat de meeste mensen de Bijlmer verlaten vanwege de onveiligheid, de vervuiling en de verloedering. Dus niet, zoals de rechtvaardiging voor sloop luidt, omdat het wonen in een flat op zichzelf onaantrekkelijk is. De bevolkingssamenstelling van de Bijlmermeer, zeer veel alleenstaanden en één-oudergezinnen, vraagt ook niet om het bouwen van één-gezinswoningen, zoals Nieuw Amsterdam wil. Zeker met het oog op landelijke demografische ontwikkelingen in de nabije toekomst is het slopen van apartementen en het bouwen van één-gezinswoningen niet verstandig.

Beter zou zijn als alle handen ineengeslagen werden om de sociaal-economische positie en het woongenot van de huidige bewoners te verhogen. Wat het eerste betreft, is de Bijlmer afhankelijk van de bereidheid van zittende bureaucraten in de uitkeringsindustrie om samen te werken teneinde ieder individu een optimale kans te geven op officiële financiële zelfstandigheid.

Wat het tweede betreft gaat het erom de centralistische werkwijze van Nieuw Amsterdam te vervangen door een benadering die meer op de Bijlmerbevolking past. In het onderzoek naar vier conciërgeprojecten, door Frank Wassenberg uit Delft, is een verband aangetoond tussen woongenot en betrokkenheid bij de woonomgeving. Hoe betrokkener een bewoner is, hoe groter de kans dat zij of hij bereid is medebewoners aan te spreken op overtredingen tegen de leefregels. In een flat met betrokken bewoners kan een extra conciërge een klein wondertje verrichten. Het vandalisme en de vervuiling nemen af en de mensen voelen zich veiliger. Dat leidt tot meer tevredenheid en de neiging om te gaan verhuizen neemt af. Resultaat: een stabielere bevolking en minder exploitatiekosten voor Nieuw Amsterdam.

Kortom, een kind kan de was doen, zoals Brigitte Cotino, de buurtconciërge van Heesterveld in een interview zei. Ze begreep niet waarom er in de Bijlmermeer altijd zo moeilijk wordt gedaan over de participatie van allochtonen in bewonerscommissies. In het door haar en haar collega's beheerde blok was de bewonerscommissie vrijwel zwart. Geen wonder, omdat uit onderzoek is gebleken, dat allochtonen vaker rommel opruimen dan autochtonen. Sinds de komst van de buurtconciërge voelen bewoners van Heesterveld zich gestimuleerd om hun erf op orde te houden, net als in Suriname gebeurde. Ze doen het nu samen met de woningbeheerder.

Rechtopstaand dorp

Waarom zouden Bijlmerbewoners de woonomgeving niet als hun erf kunnen beschouwen? Voor mij is dat niet zo'n grote gedachtensprong. Ik heb mijn eigen flat altijd als een rechtopstaand dorp beschouwd en het rondslingerende vuil als een inbreuk op mijn persoonlijke wandelgenot. Om dat besef bij mensen wakker te roepen, zou de Bijlmer een legertje Brigittes Cotino nodig hebben.

Kleinschalig beheer is niet per se duurder dan de huidige werkstijl van Nieuw Amsterdam. Na een periode van extra investering, verdient het geld zichzelf terug doordat de stabiliteit toeneemt en de kosten dalen. Dit effect zou nog veel groter kunnen zijn als in het kader van de ruimtelijke differentiatie hier en daar gekozen zou worden voor het opheffen van binnenstraten, het bouwen van begane grondwoningen en het aanbrengen van portiekontsluitingen met elektronisch toezicht en surveillance. Helaas worden verbeteringsplannen voor naoorlogse woningen ernstig bemoeilijkt door de grove bezuinigingen sinds de Tussenbalans.

De overgang naar een kleinschalige manier van werken houdt een cultuuromslag in voor Nieuw Amsterdam. De corporatie heeft tot nu toe krampachtig het imago van gestroomlijnde bureaucratie proberen hoog te houden. Bewoners met klachten krijgen te horen dat ze niet moeten zeuren, of er volgt een uitleg van procedures die alle inspiratie doodslaat. Zullen de instanties ooit wijzer worden en inzien dat de Bijlmer een Derde-Wereldstad is? Duurzaam onderhoud, simpele oplossingen, met respect voor de oorspronkelijke bedoelingen van de wijk en dichtbij de mensen is wat de Bijlmer nodig heeft. Eerst moeten alle pretenties overboord. Paradoxaal genoeg is dat de voorwaarde voor een toekomst waarin beleggers en bemiddelde burgers kansen zien hun geluk te beproeven op de nu nog ongebruikte stukken land in Zuidoost. Tegen die tijd heeft de Bijlmermeer een LAT-relatie en zal ze geen buitenvrouw meer zijn.