BLOEDIG NICARAGUA

Blood of Brothers. Life and War in Nicaragua door Stephen Kinzer 450 blz., geïll., G. P. Putnam's Sons 1991, f 55,50 ISBN 0 399 13594 4

Op een dag in maart 1983 reisde de Amerikaanse journalist Stephen Kinzer samen met een fotograaf naar de Nicaraguaans-Hondurese grensstreek. Daar moesten zich, in weerwil van alle officiële ontkenningen, geheime kampen bevinden van de Contra's, de door de Verenigde Staten gefinancierde en bewapende guerrillastrijders die de linkse regering van Nicaragua ten val probeerden te brengen.

Geholpen door twee met hen meeliftende soldaten, slaagden Kinzer en zijn collega er in tot zo'n kamp door te dringen en in een hut te kijken waar kisten met munitie lagen opgeslagen. ""Wat ik daar binnen zag, was voor mij net zo opwindend als welke mythische schat dan ook,'' schrijft Kinzer in Blood of Brothers, het meeslepende verslag van zijn jaren in Nicaragua. Hij voelde zich als Howard Carter die het graf van Toet Ankh-amoen opent.

De volgende dag keerden ze terug om foto's te maken die als het bewijs moesten dienen dat de regering-Reagan loog door het bestaan van de Contra-kampen te ontkennen. Het lukte Kinzer enkele Contra's aan de praat te houden (en daarbij ternauwernood arrestatie of erger te voorkomen), terwijl Ken Silverman fotografeerde.

Zo stelt hij hun overhaaste terugtocht te boek: "" "Dat waren ze, man! schreeuwde Ken (...). Zijn beide vuisten waren in extase gebald terwijl hij wild in de lucht sloeg. ""We hebben ze! We hebben ze gevonden!'' Hij kon niet opgewondener zijn dan ikzelf. ""Verdomd als het niet waar is!'' schreeuwde ik terug. "Damn right! Big story! Very big story!' ''

De volgende dag verschenen verhaal en foto's in The New York Times, Kinzers krant; de journalistiek was even een waar gebeurde droom uit een jongensboek.

Blood of Brothers staat vol met dergelijke verhalen. Hij beschrijft bij voorbeeld uitvoerig hoe hij een actiegroep met een liefdadig doel, Rice for Peace, bedenkt om zonder de toestemming van de Sandinistische machthebbers de Miskito-indianen aan de Atlantische kust te kunnen bezoeken, waar de regering regelmatig bombardementen liet uitvoeren. De zakken met rijst achterin zijn jeep fungeerden als de dekmantel voor zijn journalistieke activiteiten.

Maar Blood of Brothers is veel méér dan een jongensboek met indianenverhalen. Het bevat gedetailleerd de recente en jongste geschiedenis van een getormenteerd, dictatoriaal geregeerd land, doorweven met de persoonlijke belevenissen van een man die als de best geïnformeerde en invloedrijkste buitenlandse correspondent ter plaatse gold.

Met de val en de daarop volgende vlucht van Anastasio Somoza naar de Verenigde Staten kwam er in 1979 een einde aan 45 jaar dictatuur in Nicaragua. De macht kwam voor de komende jaren in handen van de Sandinisten, die van Nicaragua een soort socialistische heilsstaat probeerden te maken naar Cubaans voorbeeld. Volgens Kinzer onderhielden de Sandinisten in de voorafgaande jaren van ondergrondse strijd niet alleen nauwe banden met Castro, maar ook met Kim Il Sung van Noord-Korea en waren zij aan de kant van de PLO betrokken bij gevechten tegen de Israeli's en bij enkele vliegtuigkapingen.

Het Sandinistische streven bracht niet de vrede en welvaart waarop werd gehoopt. Er brak een nieuwe burgeroorlog uit, ditmaal tegen de Contra's, en wat een heilsstaat had moeten worden, met alfabetiseringscampagnes en ingrijpende hervormingen die tot rechtvaardiger bezitsverhoudingen moesten leiden, draaide door deze en andere factoren uit op een treurige mislukking.

Nicaragua bleef een doodarm, politiek en economisch geïsoleerd, bloedvergietend land, waar óók de Sandinisten een repressief bewind voerden, al haalde het, zegt Kinzer, op geen stukken na ""het niveau van wreedheid die in andere delen van Centraal-Amerika als standaard werd geaccepteerd''.

Tegen deze even spannende als deprimerende achtergrond schreef Stephen Kinzer een prachtig boek: informatief en helder, warm, bewogen en levendig - het boek van iemand die niet alleen heel veel weet van Nicaragua, maar er ook heel veel van houdt en dat ook nog eens mooi kan opschrijven.

Het is de gewelddadige, politieke geschiedenis van de afgelopen jaren en tevens een liefdesgeschiedenis: die van een jonge, idealistische Amerikaanse journalist en een klein, op zichzelf onbeduidend land, waar door een samenloop van ongelukkige omstandigheden voortdurend wereldnieuws werd gemaakt.