Wegblauwende bergen; Reisverhalen van Cyriel Buysse

Cyriel Buysse: Reizen van toen. Met de automobiel door Frankrijk. Samengesteld en ingeleid door Luc van Doorslaer. Uitg. Manteau, 296 blz. Prijs ƒ 34,50.

Voor veel Nederlanders is met de auto naar Frankrijk een jaarlijke traditie. Kilometers lange files onder de brandende zon op de "route de soleil' nemen zij voor lief. Aan het begin van deze eeuw was dat anders. Toen de Vlaamse schrijver Cyriel Buysse zich vlak vóór en na de Eerste Wereldoorlog op de Franse wegen begaf met zijn “sterkere, vluggere broer van de landloper”, zoals hij zijn vervoermiddel omschrijft, was hij een grote uitzondering. Zijn tochten naar Frankrijk waarover hij tussen 1911 en 1923 publiceerde, zijn nu in het boek Reizen van toen gebundeld en van een goede inleiding voorzien.

Anders dan de toeristen van nu rijdt Buysse niet naar een bepaalde vakantiebestemming. Hij rijdt om het rijden. Onderweg trakteert hij de lezer op impressionistische beschrijvingen van de plaatsen die hij aandoet en op bespiegelingen over de ontvolking van Frankrijk, waar je zo weinig kinderen ziet, of over de hedendaagse toerist, "een reismachine' die nergens blijft waar het "rustig en aardig' is.

Cyriel Buysse (1859-1932) wordt gezien als de voornaamste vertegenwoordiger van het naturalisme in de Vlaamse letterkunde. Beïnvloed door met name Emile Zola schreef hij over zijn "Arm Vlaanderen' van "hard labeur' en uitbuiting, van zweet en jenever. Hij werd bekend met novelles als De biezenstekker (1894) en het boerendrama Het gezin Van Paemel (1903).

In zijn reisbeschrijvingen ontpopt Buysse zich vooral als een gemoedelijke verteller. Zijn verhalen zijn eigenlijk een aaneenschakeling van anekdotes. Zo vertelt hij over de Amerikaan en de Parisienne die hij observeert in een Parijs restaurant: “Zij zitten aan een tafeltje samen te lunchen: de Amerikaan met slappe boord en sportlike pak; de "Parisienne' geverfd, gepoeierd, met blote hals en misschien wel echte paarlenketting (-). De Amerikaan uit enkele schorre klanken: "comman dites-vo cela?' vraagt hij naar het brood wijzend. - Du pain, antwoordt de "Parisienne' met geanimeerde glimlach. (-) Eensklaps heeft de Amerikaan een soort inspiratie. "Duu vin!' zegt hij triomfant-glimlachend, met gouden-tanden-glimlach, terwijl hij met de vinger naar zijn glas wijst. - Parfait! Parfait! jubelt de "Parisienne'. Maar de Amerikaan, enigszins geringschattend, als voor een niet heel ernstige moeilijkheid: - Aoh c'est le meme chose en anglais: wine, vin.”

Buysse lardeert zijn verhalen met originele woorden. Zo heeft hij het over een weg geplaveid met doodshoofden, over wegblauwende bergen, openluchtige tenten en blaadjes die vallen als vlinderwiekjes.

Jammer is dat door de verhalen achter elkaar te lezen, herhaling opvalt. De Franse chemineau (landloper) die "traditioneel en romantisch' is gebleven in tegenstelling tot zijn Vlaamse collega, duikt te vaak op. Net als de restaurants die er vreselijk uitzien maar waar je toch heerlijk kunt eten en de talloze kerkjes die "ten hemel punten'.

Wel zie je door de aaneenschakeling van de drie reisverhalen duidelijk de bewondering tanen die Buysse koestert voor de automobiel. Aanvankelijk verheerlijkt hij zijn "lief motortje' dat hem brengt op plaatsen waar hij anders nooit zou komen, zonder dat hij zijn tijd hoeft te "verboemelen' in de trein. Maar in het laatste reisverhaal, dat dan ook De laatste ronde heet, krijgt hij "panne' en concludeert: “De auto is geen reisvoertuig.”

De bundel wordt afgesloten met twee korte verhalen: "Superindrukken van Parijs in 1923' en "Rivièra impressies', een verhaal dat Buysse kort voor zijn dood schreef. Uit deze verhalen, die er een beetje los bijbungelen, blijkt hoe diep de schrijver is geworteld in het Vlaamse platteland. Hij ergert zich aan Parijs, dat een "filiaal van New York en Londen' dreigt te worden en aan de strenge moderegels waaraan Franse vrouwen zich onderwerpen.

Met afschuw beschrijft hij de Françaises “met gele, roze en mauve haren, weggeschoren wenkbrauwen die vervangen zijn door idioot-dunne penseelstreepjes, ogen in een halo van blauwzwart, alsof er met de vuist op was gebeukt”. Tot zijn ongenoegen geven zelfs oudere dames zich over aan modegrillen: “Matrones op meer dan stervensleeftijd, met gepoederde rimpelgezichten en doffe ogen (-) hun lichte japonnen met kant en guipure omhangen, doen onweerstaanbaar denken aan oude gruyère-kaas vol gaten.”

De automobiel heeft inmiddels helemaal voor Buysse afgedaan. Hij waagt zich nog een keer aan een autoritje door de Franse Alpen. De tocht over een smalle, steile weg langs diepe afgronden bevalt hem zo slecht, dat hij zijn boek afsluit met de woorden: “...dat dorpje in de bergen wens ik niet terug te zien, althans per auto niet. Nog eens te voet... misschien!”