Wees redelijk, vraag het onmogelijke; De ondergang van de punk

Jon Savage: England's Dreaming. Sex Pistols and Punk Rock. Uitg. Faber and Faber, 601 blz. Prijs ƒ 40,60.

Net zoals de muzikale hoogtepunten uit de jaren zestig verkrijgbaar zijn op verzamelplaten met titels als Golden moments from the 60's of Do You Remember the Sixties, worden tegenwoordig compilaties uitgebracht met succesnummers uit de punktijd. Punkmuziek is evenals de jaren-zestig-hits No Milk Today of Happy Together onschuldige nostalgie geworden. Wat punk als subcultuur betekende, is aan de muziek niet te horen. De nummers zijn misschien wel snel en rauw, maar vergeleken met de muziek van de jaren tachtig, niet meer extreem. Om weer te begrijpen wat punk als tegencultuur in de jaren zeventig inhield is een boek als England's Dreaming van de Engelse journalist Jon Savage nodig.

Savage schreef een biografie van de punkbeweging. Hij gaat in op groepen als de Buzzcocks, The Clash of X-Ray Spex, maar concentreert zich voornamelijk op de Sex Pistols: het boek begint met de geboorte van Malcolm McLaren en eindigt met het uiteenvallen van de Sex Pistols.

John Lydon, voorheen bekend als Johnny Rotten, zanger van de Sex Pistols, heeft al laten weten het niet met Savage's visie op de punktijd eens te zijn. Volgens Lydon heeft Savage door zijn homoseksuele geaardheid een veel te rooskleurig beeld gegeven van deze "jongens onder elkaar'. Waar Lydon zich waarschijnlijk ook aan stoort, is de nadruk die Savage legt op de persoon van Malcolm McLaren, de manager van de Sex Pistols. Terwijl McLarens jeugdervaringen en familieomstandigheden uitgebreid worden behandeld, schitteren die van Johnny Rotten door afwezigheid.

Malcolm McLaren (1946) werd geboren in een joods middle-class gezin. In de jaren zestig bezocht hij de kunstacademie, kreeg een afkeer van hippies en raakte gefascineerd door alles wat te maken had met stijl, mode en image. Geïnspireerd door de anarchie van de mei-rellen in Parijs in 1968, begon McLaren samen met de nu nog altijd toonaangevende modeontwerpster Vivienne Westwood te experimenteren met kleding. Want, zoals McLaren in dit boek opmerkt, kleding is in Engeland het middel bij uitstek om zich mee te onderscheiden.

Coach

In 1971 namen McLaren en zijn vrouw in Londen een winkel over op King's Road. Ze noemden het Let It Rock en verkochten er hun eigen ontwerpen; t-shirts van rubber en versierd met letters van gekookte kippebotjes, motorkleding met ijzer beslag ("studs'), broeken van glitterspul.

Tijdens een bezoek aan New York in 1973 ontmoette McLaren de leden van The New York Dolls, die zich kleedden als vrouwen en zich zo bizar gedroegen dat geen platenmaatschappij ze onder contract wilde hebben. Meer nog dan met hun muziek dweepte McLaren met hun onaangepastheid. Toen hij terugkwam in Engeland, had hij het beeld van een band voor ogen.

Het initiatief voor de uitvoering van dit idee kwam echter niet van McLaren zelf, maar van Steve Jones, een jeugdige klant van Let It Rock. Jones vroeg McLaren om hulp bij het zoeken naar een oefenruimte voor zijn band. Het was vervolgens McLaren die de groepsnaam The Strand (naar een nummer van Roxy Music) veranderde in Sex Pistols en de nog ontbrekende zanger bij de groep zocht. Dat werd de achttienjarige Johnny Rotten die net door zijn ouders het huis uit was gezet omdat hij zijn haar groen had geverfd.

John Lydon noemde Savage's weergave te "rooskleurig', maar vanaf het moment dat Jon Savage de opkomst en ondergang van de punkbeweging, gepersonifieerd door de leden van de Sex Pistols, beschrijft, ontwikkelde mijn stemming zich op dezelfde manier als bij het kijken naar een horrorfilm. Zoals in "Poltergeist' of "Halloween' het onraad eerst nog wel vermakelijk is, maar later uitgroeit tot een nachtmerrie, zo wordt het kinderlijke gedrag van de punks in de begintijd tot een drama van verwarring en geweld in de nadagen.

Wat uitmondde in slepende rechtszaken (tussen McLaren en Johnny Rotten), moord (door Sid Vicious, bassist van de Sex Pistols, op zijn vriendin Nancy Spungen), een overdosis (Sid Vicious) en verslaving aan amfetaminen of heroïne (bij velen), begon als een jongensboek. Steve Jones had er drie jaar over gedaan om de apparatuur voor de band bij elkaar te stelen van in Londen wonende sterren: microfoons van David Bowie, een bas van Roxy Music en gitaren van de band van Rod Stewart. De punks tooiden zich met nieuwe namen (Lucy Toothpaste, Siouxsie Sioux) en kort rechtopstaand haar. Sid Vicious had nooit aan het gebruik van haarlak gedacht, hij kreeg het juiste kapsel door met zijn hoofd ondersteboven in de oven te hangen.

No future

De verveling en de frustratie die de werkloosheid onder jongeren in het Engeland van 1976 met zich meebracht, werd de voedingsbodem van de "No Future'-ideologie van de Sex Pistols. Hun fatalisme uitte zich in primitieve nummers waarin "mooi' geen rol speelde. Ze waren snel en hard, met teksten die nooit privé-emoties als liefde of verdriet behandelden, maar nadrukkelijk het publieke domein.

Anarchie was volgens Johnny Rotten de enige oplossing voor de sociale malaise: “We want chaos to come. Life is not going to get any better for kids on dole until it gets worse first”. In Anarchy in the U.K, de eerste single, zingt hij: “I wanna be .. Anarchy /I wanna .. Destroy.” In het vlak voor het jubileumfeest van de Engelse koningin in juni 1977 uitgebrachte God Save The Queen sneert Rotten: “God save the Queen/ and the fascist regime / It made you a moron / A potential H-Bomb / God save the Queen / She's not a human being.”

Maar hoe spontaan de razernij hem ook over de lippen lijkt te komen, de groep werd nauwlettend gecoached door McLaren. Hij bepaalde hun image, zelfs als het ging om de titels van de nummers. Het was McLaren die de aanstootgevendste titel bedacht en het was echtgenote Vivienne Westwood die de uitdagendste kleren ontwierp. De crisiskleding met scheuren en veiligheidsspelden was niet bedacht door een punk van de straat. Ze was te koop in de winkel op King's Road, die inmiddels was omgedoopt van "Let it Rock' naar "Sex'. Daar verkocht Westwood t-shirts voor vrouwen met ritsjes op de plaats van hun borsten en t-shirts met leuzen er op, als "Destroy' of "Be Reasonable, Demand the Impossible'. Dit gebruik van slogans was ontleend aan het situationisme, een stroming in de kunst, die opgang maakte bij de mei-rellen in Parijs en zich begin jaren zeventig tot een versie van pop art ontwikkeld had. In hun kunstwerken gebruikten de situationisten pseudo-politieke teksten en montages. Deze grafische stijl werd niet alleen overgenomen door Vivienne Westwood maar ook door Jamie Reid, een oude vriend van McLaren, die posters en hoezen voor de Sex Pistols ontwierp.

Als manager schoot Malcolm McLaren uiteindelijk te kort. Nooit gaf hij de groep de zorg die ze nodig had. In de beginperiode zag hij de Sex Pistols alleen als uithangbord voor zijn winkel en toen de band succes kreeg, liet hij ze aan hun lot over en concentreerde al zijn aandacht op het produceren van een film over de Sex Pistols.

Zo, betoogt Savage, was McLaren, net als Brian Epstein bij The Beatles, de middle-class manager die een aantal working-class jongens modelleerde naar wat hij zelf niet kon zijn. De tien jaar oudere McLaren, met zijn intellectuele en artistieke vorming van de jaren zestig, kanaliseerde hun rebellie tot een jeugdbeweging die binnen zes maanden het hele land in zijn greep had. Maar punk leed aan de eigen dynamiek; de buitenwereld reageerde met weerzin en geweld op het rafelige uiterlijk en provocerende teksten, de Sex Pistols zelf bespoedigden hun ondergang door het gebruik van drugs en drank. De Sex Pistols werden groot èn gingen onder aan de gedragscode die McLaren hen had voorgehouden: "Wees als een kind. Wees onverantwoordelijk. Wees zonder respect. Wees alles waar deze maatschappij een hekel aan heeft'.