We zijn bezeten, we zijn zombies; Schrijversvakschool 't Colofon in Amsterdam

De studenten van de Schrijversvakschool 't Colofon in Amsterdam leren verhalen, dialogen, haiku's, liedteksten, recensies, gedichten en essays schrijven. Valt zoiets te leren? En wordt iedere afgestudeerde een beroemd schrijver? Janet Luis woonde de lessen bij en sprak met studenten en docenten. “De school is een harde reflectie op wat je produceert. En dat is niet niks. Dat brengt narcistische kwetsing met zich mee.”

Ze wordt een beetje rood als ze in de pauze vertelt over de droom die ze onlangs had. “Moet ik dit eigenlijk wel vertellen? Nou ja, wat kan het mij ook schelen.” Ze droomde dat een van haar mede-studenten de première beleefde van een toneelstuk. Het werd live uitgezonden op de televisie. Je kon goed zien dat de zaal afgeladen vol zat. “En ik vroeg me steeds af”, zegt Naomi, “want ik was natuurlijk vreselijk jaloers, hoe komt het toch dat die zaal zo vol is. Zo beroemd is Annemiek toch helemaal niet!” Naderhand bleek dat het toneelstuk gesponsord was door Gist Brocades, die er wel voor gezorgd had dat de zaal tot de laatste stoel bezet was. “Ik was erg opgelucht”, zegt Naomi, “maar later, toen ik wakker werd, schaamde ik me dood. Wat erg hè, zo'n droom.”

Vera heeft laatst iets soortgelijks gedroomd. Ze had een verhaal geschreven voor een debutantenwedstrijd, maar terwijl zij in de onoverzichtelijke ruimte nog wanhopig op zoek was naar de jury bij wie het verhaal ingeleverd moest worden, werd al omgeroepen dat de eerste prijs was gegaan naar groepsgenoot Jan Bart.

Naomi, Annemiek, Vera en Jan Bart zitten in het eerste jaar van schrijversvakschool 't Colofon, die sinds 1984 gevestigd is in Amsterdam. Ook al hebben ze nog drie jaar voor de boeg, de creatieve wedijver wordt nu blijkbaar al duchtig gevoeld. Voor bijna iedereen die zich aanmeldt, is 't Colofon een serieuze aangelegenheid. Het schrijven is voor de meeste studenten een levensbehoefte, waaraan al het andere ondergeschikt wordt gemaakt.

“Mijn vrienden vinden er niets meer aan sinds ik op school zit”, zegt Meis Thewissen, die het tweede jaar met goed gevolg heeft doorlopen. Haar leven staat niet meer in het teken van de gezelligheid sinds zij minstens zes à zeven uur per dag schrijft. Daarnaast is zij onbezoldigd redacteur van het literaire tijdschrift Parmentier. Op zaterdag zit ze de hele dag op school en als ze 's avonds uitgeput weer in Nijmegen aankomt, staat haar hoofd niet naar uitgaan. Bovendien wil ze de zondag nog nuttig kunnen besteden. Ook Bernardien Weber, met haar 68 jaren een van de oudste studenten, is steeds meer gaan schrijven, vooral nu zij bijna in het eindexamenjaar zit. “Je doet eigenlijk niets liever”, zegt ze. “Sinds ik op school zit kookt en strijkt mijn man.”

Marijke Kruisinga, tweedejaars, schrijft elke dag enkele uren, ook in het weekend. Zij vat de gedrevenheid van de gemiddelde Colofon-student mooi samen. “Wij zijn toch een beetje bezeten hè. Wij zijn een beetje zombies.”

Behalve een opleiding biedt 't Colofon losse cursussen aan, waar men zich onder meer kan bekwamen in het schrijven van dialogen, haiku's, liedteksten, recensies, reisverhalen en het houden van voordrachten. Maar het zwaartepunt van de school ligt bij de vierjarige opleiding met vijf afstudeerrichtingen: proza, poëzie, drama, scenarioschrijven en het essayistische en journalistieke schrijven, ”non-fiction' genaamd. In het basisjaar worden de vijf verschillende vakken onderwezen, in het tweede jaar blijven er twee over, in het derde jaar wordt het vak gekozen waarin men examen doet en in het vierde wordt de ”meesterproef' geschreven, die aan het eind van het jaar door een onafhankelijke commissie wordt beoordeeld.

Dialoog

Ik ben toehoorder bij een eerstejaars dramales, gegeven door dramaturge en toneelschrijfster Marianne Fennema. Zij heeft de wind er op een prettige manier onder en geeft kort maar krachtig commentaar op de werkstukken die de groep inlevert. De wekelijkse opdracht bestond deze keer uit het schrijven van een dialoog van niet meer dan twee bladzijden. Twee personen zullen op reis gaan, maar vlak voor vertrek blijkt dat er verkeerde kaartjes zijn gekocht, met alle rampzalige gevolgen van dien. “Het conflict moet er beter uitkomen”, zegt ze tegen Evelien die in een mum van tijd een heel huwelijk op de klippen laat lopen. “Maar kan dat dan allemaal in twee bladzijden?” Volgens Fennema kan dat inderdaad wel, zij het misschien niet perfect. “Maar dat hoeft ook niet in de vijfde les van het eerste jaar.”

Driftig aantekeningen makend en soms lichtjes terneergeslagen horen de studenten het vonnis aan: herschrijven! De meest gehoorde kritiek is dat er teveel wordt uitgelegd waardoor de dialoog een voorspelbaar en saai verloop krijgt. “Je moet als toneelschrijver uit die redelijkheid zien te komen. Anders kun je geen spanning maken.”

Bij de prozales voor een andere eerstejaarsgroep houdt Arie van den Berg de aanwezigen juist voor dat ”geloofwaardigheid het belangrijkste is van een schrijver naar een lezer toe'. Elk groepslid werkt al enige weken aan een verhaal dat elke week wordt uitgebreid of gedeeltelijk herschreven. Er hangt onweer in de lucht en de stemming is landerig. Van den Berg deelt fikse kritiek uit. “Bij Inge heeft de vertrutting ingetreden”, zegt hij. “'t Is een verhaaltje om het verhaaltje geworden”. Aan Katinka vraagt hij wat ze zèlf vindt van haar dialogen. Zij is aan enige verwarring ten prooi. De vorige keer kreeg ze te horen dat haar verhaal wel erg dichterlijk was uitgevallen, waarna ze het herschreef. Maar nu wordt het weer te zakelijk, te koud bevonden. “Ik heb liever dat je op je gezicht gaat en er meer poëzie inbrengt, dan dat je er tussenuit knijpt.”

Het verhaal van Nicolien is het enige dat een warm onthaal krijgt. “Als je nog even met die tekst doorstoeit, dan ben ik helemaal tevreden.” Nicolien wordt, ook door haar groepsgenoten, geprezen om een gedurfde erotische scène. “Zo'n vluggertje beschrijven”, zegt Van den Berg, “dat is een opdracht die ik pas halverwege het derde jaar durf te geven en dan gaan ze meestal nog plat op hun bek.”

De opleiding stelt de studenten in staat om hun schrijftalent te ontdekken en te ontwikkelen. Van de 56 schrijvers in spe die tot het basisjaar worden toegelaten, blijven er in het tweede jaar gemiddeld veertig over. Daarna vallen er weer zo'n twintig studenten af en tenslotte doen vijftien studenten examen. Dit jaar waren het er twaalf, voor het merendeel prozaschrijvers, waarvan er drie zakten.

De afgestudeerden krijgen een getuigschrift uitgereikt, geen officieel diploma, want de school is niet erkend door de overheid. De tweekoppige directie, die wordt gevormd door Fons Eickholt en Marieke de Ridder, tilt daar niet al te zwaar aan. “Als een van onze studenten solliciteert en melding maakt van 't Colofon, dan blijkt dat wel degelijk enig gewicht in de schaal te leggen. Dat is voor ons belangrijker dan die ministeriële erkenning.” Belangrijk voor het aanzien van 't Colofon is vooral het aantal ”doorbraken' van studenten en oud-studenten: boek-, tijdschrift- en krantepublikaties, toneelstukken en uitvoeringen.

Exemplaren van de betreffende boeken en tijdschriften worden bewaard in een soort prijzenkastje met glazen deurtjes, waarnaar de directie de blik af en toe liefdevol opslaat. Bekende namen komen op de publikatielijst praktisch nog niet voor. Anne Vegter die in 1990 afstudeerde, zou je de vaandeldraagster van 't Colofon kunnen noemen. Voor De dame en de neushoorn ontving zij de Woutertje Pieterse Prijs en haar kinderboek verse bekken! werd vorig jaar genomineerd voor de AKO-pijs. Flip Willemsen, die in 1989 de school verliet, schreef tot dusver twee romans: De gelaagde sneeuwman en De waanlander. Onder de afgestudeerden van dit jaar zijn er in elk geval twee, Gerard van Emmerik en Hermine Landvreugd, van wie het examenwerk zal worden uitgegeven. Toch slaagde Landvreugd, die bij de Bezige Bij zal debuteren met een verhalenbundel die Het zilveren theeëi of Turgor zal gaan heten, niet met vlag en wimpel, maar met de kritische aantekening dat haar werk in stilistisch en compositorisch opzicht nog wel voor verbetering vatbaar was.

Een geval apart is Pim Wiersinga die onlangs debuteerde met Honingvogels, een roman die hij in het tweede jaar schreef. Vrolijk lachend vertelt directeur Fons Eickholt dat Wiersinga volgend jaar hoopt af te studeren. Hem was aangeboden deze roman als examenwerk te laten gelden, maar hij wilde liever op school blijven om nog zoveel mogelijk bij te kunnen leren. “Dat vind ik echt een heel goede houding,” zegt Marieke de Ridder.

Machinist

De gemiddelde leeftijd van de studenten ligt tussen de 35 en de 45 jaar, al is er volgens Eickholt en De Ridder een tendens tot verjonging. De meesten hebben al het een en ander achter de rug als ze zich inschrijven. “De achtergrond van de studenten is heel verschillend. Een geflipte machinist die op zijn veertigste genoeg kreeg van zijn werk, een onderwijzer in de VUT, wiskundigen, iemand met een bioscoopbedrijf, mensen die twintig jaar lang gewerkt hebben als journalist, in het onderwijs, in de hulpverlening en in de verpleging en die dan besluiten te gaan doen wat ze altijd al wilden.” Fons Eickholt haast zich om de eventuele indruk weg te nemen dat de school als opvangcentrum zou fungeren voor mensen die ergens halverwege hun leven het spoor bijster zijn geraakt. Dat er nog steeds meer vrouwen dan mannen (de verhouding is nu 10:4) op de school zitten, wijt zij voor een deel aan de niet-officiële status ervan. “Hoe meer we erkend worden door ”de wereld', hoe meer mannen zich opgeven. Zo gaat dat altijd.”

Kan iemand eigenlijk wel leren schrijven? “Dat is hetzelfde”, zegt De Ridder, “als vragen of iemand kan leren toneelspelen, schilderen of componeren. Als je er aanleg voor hebt en doorzettingsvermogen, dan kun je leren schrijven. Wij helpen de mensen eruit te halen wat erin zit, maar succes is natuurlijk niet verzekerd. Dat geldt voor alle kunstopleidingen. Veel schrijvers die hier lesgeven heb ik horen zeggen dat ze zelf wel op zo'n school hadden willen zitten, omdat ze dan allerlei beginnersfouten en valkuilen hadden kunnen vermijden en een veel snellere technische ontwikkeling kunnen doormaken.”

Docent-schrijver Arie van den Berg bevestigt deze veronderstelling. “Al die schrijvers hebben in hun dooie eentje het wiel moeten uitvinden, terwijl ze op zo'n school flink vooruit waren geholpen.” Op de vraag of hijzelf 't Colofon bezocht zou hebben als er al eerder zo'n school was geweest, schudt hij resoluut het hoofd. “Daar was ik veel te eigenwijs voor.”

Het is een opmerking die te denken geeft, want je kunt eruit afleiden dat er twee soorten schrijvers-in-wording zijn. De ene soort is te eigenzinnig voor richtlijnen is dus eigenlijk ongeschikt voor een schrijversschool. De andere soort is volgzamer en accepteert dat er normen zijn waaraan een kunstwerk moet voldoen. Het ligt voor de hand dat de tweede soort het ruimst vertegenwoordigd is. Een vertegenwoordiger van de eerste soort lijkt Maarten Oudshoorn, die naar eigen zeggen ”met de hakken over de sloot' het derde jaar heeft gehaald. Omdat hij de docenten niet nog meer tegen zich in het harnas wil jagen, laat hij zich discreet uit over de gemengde gevoelens die de school bij hem oproept. “Het zijn schrijvers, geen echte leraren. Daarom zijn hun didactische methoden niet altijd even geniaal.”

Oudshoorn is niet aan de opleiding begonnen met het vastomlijnde idee schrijver te worden. Hoogstens zit dat als een vaag perspectief in zijn achterhoofd. “Je moet dat realistisch zien. Er zijn in Nederland maar weinig schrijvers die ervan kunnen leven. Het is één groot schnabbelcircuit.” Deze realistische houding is eigenlijk niemand vreemd. Meer dan een vage hoop om ooit, in een ongewisse toekomst, een roman, een toneelstuk of een dichtbundel te schrijven, is er niet, vooral onder de jongerejaars. Ook Meis Thewissen heeft geen huizenhoge ambities. “Om ervan te kunnen leven moet je wel een soort Adri van der Heijden zijn.” Zij wil het liefst redacteur bij een uitgeverij worden. Marijke Kruisinga schreef zich een paar jaar geleden in voor de school met het stellige idee dat zij nooit schrijver zou kunnen worden. Zij is van plan het tweede jaar over te doen om te zien of zij goede gedichten kan schrijven. “Als ik geen echte poëet blijk te zijn, dan hou ik er gewoon mee op.”

Over één vak op school is iedereen erg te spreken en dat is de zogeheten schrijftraining, volgens Fons Eickholt de kurk waar 't Colofon op drijft. Bij de schrijftraining, die het hele jaar door gegegeven wordt, leert men het schrijven als vak, als ambacht, als technische vaardigheid te zien, die in principe voor iedereen onder de knie te krijgen is. Gerichte opdrachten maken de studenten vertrouwd met zaken als perspectief, karakterontwikkeling, dynamiek, ruimte en tijd. “Het zijn kleine wondertjes”, zegt Marieke de Ridder. “Je geeft een korte schrijfopdracht en ze schrijven, of ze nou inspiratie hebben of niet.”

Sneeuw

Ik woon een les bij van Jos van Hest, een van de schrijftrainers. Het is donderdagavond 7 uur en het is snikheet. Om althans de hoofden nog een beetje koel te houden, besteedt hij de volle drie uur aan het thema sneeuw. Een van de huiswerkopdrachten bestond erin de kou van sneeuw te beschrijven zonder dat het woord sneeuw erin voorkomt. Om de beurt lezen de groepsleden hun stukje voor. Het is de bedoeling dat zij elkaar beoordelen, maar op het uitnodigende ”Wie?' van Van Hest volgt meestal onduidelijk gemompel. Het is dus vooral de docent zelf die commentaar levert. “Best genuanceerd”, zegt hij over het sneeuwtekstje van Toon. “Mooi hoor, dat tactiele aspect.” Nadat het huiswerk is afgehandeld geeft Van Hest in hoog tempo een hele serie schrijfopdrachten die elk zo'n drie à vier minuten in beslag nemen. Om er niet voor spek en bonen bij te zitten verzin ik ook ook zoveel mogelijk samenstellingen met sneeuw, leg ik aan een kleuter in één zin uit wat sneeuw is en probeer ik mij te verplaatsen in het gedachtenleven van een sneeuwpop. Het zijn leuke taalspelletjes die aan vroeger doen denken en aan vormingsweekends, waar ze gebruikt werden om de sfeer wat losser te maken. Als ik dat in de pauze aan Van Hest vertel, verbleekt hij bijna van schrik. “Je moet je wel realiseren dat deze les niet representatief is en dat andere docenten het heel anders aanpakken.”

Het aantrekkelijke van 't Colofon is het gemeenschappelijke belang: het praten met verwante geesten over het schrijven. Toch ervaart niet iedere student ”de groep' als een veilig nest. Met de kritiek die elke week wordt uitgedeeld, heeft Bernardien Weber moeten leren omgaan. “De eerste klas was een drama. Je voelt je geraakt tot in het diepst van je ziel. Je trekt het je persoonlijk aan.” Ook Marijke Kruisinga vindt dat het er soms hevig aan toegaat. “De school is een harde reflectie op wat je produceert. En dat is niet niks. Je brengt jezelf in het geding. Dat brengt narcistische kwetsing met zich mee.” Meis Thewissen meent dat iemand die 't Colofon met goed gevolg doorlopen heeft, opgewassen is tegen de officiële kritiek. Dit wordt tegengesproken door Hermine Landvreugd, die een paar keer deelnam aan een literaire avond. Een van die avonden werd besproken in Het Parool en haar voordracht kwam er daarbij slecht af. “Die man vond mijn verhaal waardeloos. Ik ben er twee weken van ondersteboven geweest. En nog denk ik vaak: er loopt iemand rond die het helemaal niks vindt wat ik doe.”

“De meesten van ons zijn erg onzeker van zichzelf”, zegt Marijke Kruisinga. “Er is een groot verschil tussen wat we in ons hoofd hebben en wat er op papier komt.” Ook lijdt ze onder het grote verschil tussen wat ze leest en zelf schrijft. Ze zou wel willen dat ze bij 't Colofon wat realistischer waren. “Ik weet dat ze je moeten stimuleren en dat het ook goed is dat ze dat doen. Maar daardoor worden er ook valse verwachtingen gewekt. Er zijn natuurlijk maar heel weinig mensen met een groot schrijftalent.” 't Colofon is volgens haar een merkwaardig instituut. “Ik zou wel eens willen weten of dat eigenlijk wel kan, zo'n school.”