Waren de Inca's constructivisten? De ruzie tussen Theo van Doesburg en Joaquin Torres-Garcia

De Nederlander Theo van Doesburg en de Uruguayaan Joaqun Torres-Garcá waren eind jaren dertig in Parijs allebei op zoek naar een universele, tijdloze kunst. Toch kregen ze ruzie, een ruzie die nu gedetailleerd te volgen is op een expositie in het ICA in Amsterdam. Torres-Garcá ging weer mensen, klokken en vissen tekenen, zij het geabstraheerd. Is zijn werk daardoor een verwaterde vorm van het westerse modernisme?

Tentoonstelling: Joaqun Torres-Garcá en Theo van Doesburg. Institute of Contemporary Art, Nieuwe Spiegelstraat 10, Amsterdam. T/m 23 aug. Di t/m zo 11-17 uur (do 11-21 uur). Publikatie: The Antagonistic Link (engelstalig), 196 blz. Prijs ƒ 125,-.

De vriendschap tussen Theo van Doesburg en Joaqun Torres-Garcá was van korte duur. Eind 1928 leerden zij elkaar in Parijs kennen. Toen een poging om gezamenlijk een kunstenaarsgroep op te richten mislukte, begonnen zij elk afzonderlijk met een nieuw tijdschrift. In maart 1930 schreef Torres-Garcá een boze brief waarin hij Van Doesburg verzocht hem en zijn vrienden “helemaal te vergeten. Ik zal hetzelfde met u doen.”

Dat laatste is nooit echt gelukt, zo blijkt uit het werk van Torres-Garcá dat nu samen met dat van Van Doesburg te zien is op een tentoonstelling in het Amsterdamse Institute of Contemporary Art (ICA). De expositie heeft de ontmoeting van Van Doesbrug en Torres-Garcá tot onderwerp, maar laat ook zien dat het werk van de Uruguayaan zeker niet alleen kan worden verklaard uit zijn kennismaking met de Nederlandse oprichter van De Stijl.

Toen Torres-Garcá zich in 1926 in Parijs vestigde, was hij 52 jaar. Als zeventienjarige was hij met zijn familie van Montevideo naar Barcelona verhuisd, waar hij de Academie voor beeldende kunsten bezocht. In het begin verliep zijn carrière voorspoedig: hij kreeg opdrachten voor gebrandschilderde ramen en muurschilderingen van onder anderen de architect Gaud. Politieke veranderingen maakten hieraan een einde en in 1920 vertrok hij teleurgesteld naar New York. Dit verblijf was geen groot succes en via Italië en Zuid-Frankrijk belandde hij tenslotte in Parijs.

Iets van dit nomadische bestaan lijkt weerspiegeld te worden in de verwarrende hoeveelheid stijlen waarin hij eind jaren twintig werkte. Wie in het ICA de in donkere kleuren geschilderde stillevens en een schilderijtje met drie figuren in een decoratieve neoclassicistische stijl bekijkt, vraagt zich af wat Van Doesburg toch in deze kunstenaar zag. Het merkwaardige portret van Mondriaan, geschilderd in dezelfde kleuren als de stillevens, maakt de verwarring alleen maar groter. Torres-Garcá werkte echter ook in een meer geometrisch-lineaire stijl en dit moet Van Doesburgs aandacht hebben getrokken. Onder invloed van Van Doesburg en kunstenaars als César Domela, Mondriaan en Georges Vantongerloo maakte Torres-Garcá een snelle inhaalmanoeuvre, zoals te zien is aan enkele abstracte schilderijen en houten reliëfs.

Op de tentoonstelling treden overeenkomsten en verschillen tussen deze kunstenaars duidelijk aan het licht. Onder invloed van het Platonisme waren zij, elk op hun eigen wijze, op zoek naar een universele, tijdloze kunst. Hun afkeer van het surrealisme, dat steeds meer aandacht trok, was bovendien een sterke drijfveer om een groep op te richten.

Precolumbiaans

De verschillen zijn vooral het gevolg van een tentoonstelling van precolumbiaanse kunst die Torres-Garcá in 1928 zag. Dankzij zijn vriendschap met de directeur van het Musée du Trocadéro (later Musée de l'homme), kreeg zijn zoon een tijdelijke baan bij het museum en samen met hem verdiepte hij zich in de primitieve culturen van Zuid-Amerika. Uit dit mengsel ontwikkelde Torres-Garcá een onmiskenbaar eigen stijl. Zijn grafismo, zoals hij het later noemde, bestaat uit symbolische tekens - zon, maan, de windrichtingen, klok, man, vrouw, vis etcetera - gevat in een structuur van horizontale en verticale lijnen. Het breekpunt met Van Doesburg wordt nu duidelijk: zuiver abstracte kunst wees Torres-Garcá af, het herkenbare, menselijke element moest behouden blijven.

In 1934 keert Torres-Garcá terug naar Uruguay. Hij heeft nu een duidelijke missie: de verspreiding van een specifiek Zuidamerikaanse, constructivistische kunst. Tot zijn dood in 1949 geeft hij meer dan achthonderd lezingen, hij richt de Asociacón de Arte Constructivo op, sticht een school en geeft tijdschriften en boeken uit. Het meest treffende symbool van al deze activiteiten is zijn omgekeerde landkaart van Zuid-Amerika: zuid is noord geworden. Of, zoals hij schrijft: onze blik is gericht op het zuiden, het doel van ons streven (señelar un norte betekent in het Argentijns-Spaans ook een doel aanwijzen).

De constructivistische kunst van Torres-Garcá heeft niets te maken met het Russische constructivisme, zo blijkt uit zijn publikatie La Tradicón del Hombre Abstracto (1938). De traditie van de geabstraheerde kunst, van het constructivisme, gaat volgens Torres-Garcá terug tot de Inca's, Azteken, Egyptenaren en Grieken. In deze culturen wordt de natuur niet nagebootst, maar vormen geometrie en ritme de basis voor een constructivistische kunst, waarin de natuur is geabstraheerd tot een soort hiëroglyfen. De manier waarop de kubisten Afrikaanse kunst gebruikten, was volgens Torres-Garcá niet meer dan een amusante pastiche. Het gaat hem om een terugkeer naar het "Universele'.

De nadruk die hij legt op Rede, Harmonie en Orde blijft overeenkomsten vertonen met de ideeën van Van Doesburg. Deze geeft in januari 1930, een jaar voor zijn dood, in een brief aan Antony Kok niet alleen zijn visie op de breuk met Torres-Garcá, maar beschrijft daarin ook een schilderij in zwart, wit en grijs waaraan hij werkt. Het heeft “een controleerbare structuur, een vaste oppervlakte zonder toeval of individueele grilligheid, fantasieloos? Ja. Gevoelloos? Ja. Maar niet geestloos, niet universeel-loos (-).”

Correspondentie

Aan de hand van tentoongestelde documenten, correspondentie en de tijdschriften Art Concret (Van Doesburg) en Cercle et Carré (Torres-Garcá) kan men zich verdiepen in de complexe relatie tussen deze kunstenaars. De publikatie die bij de expositie is verschenen, vormt daarbij een onmisbare, zij het niet altijd even overzichtelijke, bron van informatie.

Wie geen zin heeft in dit leeswerk, kan zich concentreren op de kunstwerken van Torres-Garcá, Van Doesburg en anderen zoals Domela. Welke verwantschap bestaat er tussen het Monumento Cosmico (1937), een gegraveerde granieten muur van ruim drie bij vijf meter die Torres-Garcá in Montevideo oprichtte, en het door Van Doesburg in 1927 verbouwde café-restaurant L'Aubette in Straatsburg? De actuele vraag of hier sprake is van de traditionele verhouding tussen westerse en niet-westerse kunst, tussen kolonisators en onderdrukte volkeren, dringt zich op.

Is de kunst van Torres-Garcá een verwaterde, naïeve vorm van het westerse modernisme? Streng vasthoudend aan de principes van De Stijl en het neo-plasticisme is het antwoord: ja. Bekijkt men het werk echter los van deze context, dan komt men tot een andere conclusie. Zowel voor als na zijn ontmoeting met De Stijl heeft Torres-Garcá verrassend en eigenzinnig werk gemaakt. Om in zijn levensonderhoud te voorzien produceerde hij bij voorbeeld in de jaren twintig vrolijk beschilderd houten speelgoed. Twee abstracte schilderijen in zwart-wit (1937-38) zijn, anders dan bij Mondriaan of Van Doesburg, niet vlak geschilderd, maar plastisch - ze suggereren reliëf. Wellicht zijn het voorstudies voor een monumentale wand waarbij de symbolische tekens nog ontbreken. Het oeuvre van Torres-Garcá vormt, zo bezien, geen slap aftreksel maar een verrijking van het modernistische idioom.