Surinaams museum vestigt hoop op Venetiaan

AMSTERDAM, 19 JUNI. Eén vitrine telt het Surinaams Historisch Museum. “Een vitrine kost 2.000 gulden, meer geld heb ik niet”, zegt Thomas Swanenburg, oprichter, conservator en directeur van het museum. Het museum heeft een schuld van 70.000 gulden aan leningen en aanloopkosten. De huur is al zes maanden niet betaald. Huiseigenaar Stadsdeel-Oost zal een incassobureau inschakelen.

Een speciaal voor de redding van het museum opgericht comité grijpt het bezoek van de Surinaamse president, Venetiaan, aan om de aandacht te vestigen op het nooddruftige museum. Morgen bezoekt een afvaardiging de informele bijeenkomst van journalisten met de president. De dag erna wordt een inzamelingsactie voor het museum gehouden onder 15.000 Surinamers die naar de RAI gaan voor een ontmoeting met de Surinaamse president.

Het museum is gevestigd in een oud klaslokaal aan de Zeeburgerdijk in Amsterdam-Oost. Prenten van koloniale bestuurders, foto's van boslandcreolen en afbeeldingen van tropische dieren en planten hangen aan de muur. Honderden ansichtkaarten zijn tentoongesteld op lange tafels. Op de onderste plank van de vitrine staat een literfles Parbobier. Drie kaarten van zwemkampioen Anthony Nesty liggen naast een herinneringsmunt van vijftig Surinaamse guldens, een glas met de Surinaamse vlag, postzegels en bankbiljetten.

De collectie is eigendom van Swanenburg. Al bij zijn aankomst in Nederland, 26 jaar geleden, droomde hij van een eigen Surinaams museum. Op 8 augustus 1990 werd de droom werkelijkheid. Met 5.000 gulden subsidie van de gemeente en 2.500 gulden van het Anjerfonds opende hij het museum. Hij hoopte op vijftig betalende bezoekers per dag, het werden er nog geen tien. De Surinamers in Nederland hebben geen belangstelling voor hun eigen cultuur, vindt Swanenburg. “Ze zijn veel te druk bezig met Nederlander-zijn.” Door gebrekkige publiciteit is de bekendheid onder de rest van de bevolking beperkt gebleven. Swanenburg kon zich niet meer dan twee advertenties in het Weekblad Suriname veroorloven.

Geldgebrek loopt als een rode draad door de korte geschiedenis van het museum. Swanenburg gaf in juni 1990 zijn baan als administratief medewerker bij de Sociale Dienst eraan om zich volledig te wijden aan het museum. Hij leeft sindsdien van de bijstand. Subsidieverzoeken zijn consequent afgewezen door overheid en particuliere instellingen. “Ook de Surinaamse ambassade heeft nooit iets van zich laten horen.”

Het Comité tot behoud van het Surinaams Historisch Museum heeft zich onlangs opgeworpen als de redder in nood. Voorzitter Hendrik Berend, die zichzelf omschrijft als internationaal zakenman, hamert er op dat 180.000 gulden nodig is om het museum te beveiligen en professioneel op te zetten. “In de kelders van het Tropeninstituut liggen de Surinaamse schatten opgestapeld. Die kunnen hier tentoongesteld worden.”

Otto Romein, directeur van het Soeterijn Theater in het Tropeninstituut, meent evenwel dat het Surinaams museum in zijn huidige vorm nauwelijks bestaansrecht heeft. “Het is een vriendelijk privé-initiatief. Omdat er inhoudelijk nogal wat aan schort, is nauwelijks subsidie binnengehaald.” Hij vindt het sneu dat het idee doodbloedt. “Het museum heeft bestaansrecht. In het bijzonder Surinaamse jongeren moeten hun geschiedenis kunnen zien”, aldus Romein.