Speculaties over de Renaissance-tekenkunst; Oefenen, oefenen, oefenen

Paul van den Akker: Sporen van vaardigheid, de ontwerpmethode voor de figuurhouding in de Italiaanse tekenkunst van de Renaissance. Uitg. Uniepers, 239 blz. Prijs ƒ 69,90

In het midden van de zestiende eeuw stond de tekenkunst centraal in de kunst. Onder het woord "disegno' werd toen niet meer alleen de tekening op papier maar ook het ontwerp van een idee verstaan. Vooral de Italiaanse tekenkunst heeft zich altijd in een grote belangstelling mogen verheugen en het is deze traditie die in de studie Sporen van vaardigheid wordt voortgezet.

In het aantrekkelijk vormgegeven en overvloedig geïllustreerde boek heeft Paul van den Akker een poging gewaagd nieuwe wegen in te slaan. Het boek, dat vorig jaar aan de Vrije Universiteit als proefschrift is verdedigd, gaat niet over de tekenaars, maar over tekenvaardigheid. De schrijver heeft zich beperkt tot de praktijk van het onderwijs in de tekenkunst en daarmee is hij bewust in de voetsporen getreden van Gombrich, de nestor in het onderzoek op dit terrein van kunst en illusie. Wie de studies van Gombrich enigszins kent, zal weten dat het bij dit onderwerp gaat om complexe problemen. Het blijft een intrigerende vraag: hoe kregen en krijgen kunstenaars het toch voor elkaar dat in hun tekeningen en schilderijen door de meeste mensen iets herkenbaars kan worden herkend?

Het antwoord dat Van den Akker hierop geeft is: vaardigheid. Ook vroeger kwam die de kunstenaars niet aanwaaien. Men moest in aanleg enig talent bezitten, maar verder was het noeste arbeid: oefenen en nog eens oefenen, om te beginnen naar voorbeelden van beroemde meesters. Federico Zuccaro heeft dit leerproces in de vorm van een serie voorstellingen uit het leven van zijn broer Taddeo Zuccaro bijzonder aardig vormgegeven. Van den Akker heeft een aantal hiervan afgebeeld.

Van jongsaf aan leerde de aankomende kunstenaar dan ook de zilverstift, de loodstift, het zwarte en het rode krijt en de ganzeveer zodanig te hanteren, dat hij alles zou kunnen tekenen wat in zijn fantasie opkwam. Gewoonlijk tekende hij eerst naar voorbeeld van andere lijntekeningen, daarna naar tekeningen waarin ook enig reliëf was aangegeven en vervolgens naar driedimensionale objecten. Pas als de leerling zich hierin voldoende had bekwaamd, was het moment aangebroken om naar de natuur, dat wil zeggen naar het levende model te gaan tekenen. Het hoogste ideaal was uiteraard om altijd direct naar de natuur te werken, maar de praktijk was anders omdat het niet efficiënt was om voor elk detail telkens opnieuw naar de natuur te tekenen. Zoals schrijvers een zogenaamde "copia verborum', een woordenschat, opbouwden, zo legden kunstenaars verzamelingen van vormen en voorbeelden aan waaruit zij konden putten.

Istoria

Het hoofdthema van het boek van Van den Akker zijn de tekeningen van de menselijke figuur - de mannelijke figuur wel te verstaan, aangezien volgens Cennini Cennini de vrouw geen volmaakte proporties heeft - en de wijze waarop deze werden gemaakt. In de inleiding en de eerste hoofdstukken laat Van den Akker zien hoe kunstenaars niet alleen hun composities uit componenten zoals huisjes, boompjes, beestjes en bergjes opbouwden, maar ook hoe zij op eenzelfde wijze hun menselijke figuren uit losse onderdelen samenstelden. Het hoogste doel was de "istoria', de kunstig gecomponeerde voorstelling met een menigte van figuren in verschillende houdingen waarbij als grote voorbeelden de werken van Rafaël, Michelangelo en Leonardo golden.

Over al deze aspecten heeft Van den Akker aan lezers die zich al eerder met de (oude) tekenkunst hebben beziggehouden, niet echt veel nieuws te melden. Wel bevat het boek aanzetten tot een benadering van de tekening vanuit minder gebruikelijke gezichtspunten. Zo lanceert Van den Akker het begrip "gebroken tekenstijl', trekt hij een parallel tussen de theorie van Alberti en de moderne waarnemingspsychologie en keert hij via onder meer de motoriek van het schrijven en de kindertekeningen in het schoolschriftje van Mohammed de Veroveraar uiteindelijk weer terug bij het tekenen van figuren. Van den Akker roert een groot aantal onderwerpen aan, maakt uitstapjes naar tal van interessante kwesties en citeert kwistig uit talloze geleerde publikaties.

Nieuw in het boek van Van den Akker is de theorie van de "gebroken lijn', “een bijzonder invloedrijke en wijdverspreide stijl van tekenen die in de Renaissance tot ontwikkeling is gekomen”. Op het eerste gezicht is er wel iets te begrijpen van wat Van den Akker bedoelt. Maar bij het bekijken van de als voorbeelden genoemde tekeningen is minder duidelijk waaruit deze stijl zou hebben bestaan. De tekeningen die hij noemt zijn nogal heterogeen en stammen niet uit eenzelfde tekentraditie of -school. Wat ze tot op zekere hoogte wel met elkaar gemeen hebben, is de meer schetsmatige wijze van werken tegenover een lineaire wijze van tekenen waarbij de zuiverheid van de enkelvoudige contourlijnen voorop staat.

In hoeverre deze schetsmethode een "nieuwe uitvinding' van de Renaissance is geweest, is echter twijfelachtig, want tegelijk met het ontstaan van deze tekenstijl, lijkt ook het gebruik om op papier te tekenen te zijn toegenomen. Het is niet aantoonbaar dat vóór de "uitvinding' van deze gebroken tekenstijl niet al op een schetsmatige wijze getekend zou zijn, aangezien het bewaard gebleven materiaal uit de veertiende eeuw uitermate schaars is.

Interpretatie

Van den Akker heeft een voorkeur voor speculatieve ideeën en hij lijkt daarin Gombrich en Baxandall te willen evenaren. Daar is niets op tegen, maar het wordt een probleem wanneer ze niet goed worden onderbouwd. Bij de interpretatie van oude bronnen houdt Van den Akker niet altijd even goed in het oog of er ook werkelijk staat wat hij denkt te lezen. Zo zijn voor Van den Akker schrijven (calligrafie) en tekenen analoge, in wezen zelfs identieke processen. Zijn redenering daarbij is: schrijven is wiskunde omdat het tekenen van letters, eigenlijk tekenkunst is en de tekenkunst volgens Alberti op de wiskunde is gebaseerd. Dit soort redeneringen leidt tot cryptische uitspraken als “Het is dus goed denkbaar dat Alberti bij zijn vergelijking tussen schrijven en tekenen heeft gedacht aan het type handschrift waarin hij zelf was geschoold.” In de bewuste passage in Alberti's tractaat komt echter duidelijk naar voren dat het Alberti hierbij niet ging om de analogie van de figuren maar om de analogie van een trapsgewijs leerproces, namelijk het samenvoegen van delen tot steeds grotere gehelen; bij het schrijven: letters - lettergrepen - woorden en bij het tekenen: omtrekken tekenen - vlakken samenvoegen - vormen herkenbaar maken.

De parallel die Van den Akker trekt tussen calligrafie en tekenkunst gaat dan ook mank. Schrijven en tekenen hebben verschillende doelen en staan veel verder van elkaar dan Van den Akker ons wil doen geloven. Beroemde calligrafen blijken zelden bekende tekenaars te zijn geweest en andersom, ook al kan men letters "natekenen' of figuren "schoonschrijven'. In China was dit anders, maar daar rept Van den Akker niet over.

Wat voor de teksten geldt, geldt ook voor de tekeningen zelf want Van den Akker blijkt bij de analyse en de interpretatie van de tekeningen niet altijd even nauwkeurig. Afgezien van het feit dat een vervalsing in een serieus boek als dit zonder meer had kunnen ontbreken, is het bij de meeste tekeningen vaak niet duidelijk wat de bedoeling ervan is geweest: waren het zomaar schetsjes, ontwerpen, voorstudies, oefeningen, natekeningen of kopieën? We komen het in de meeste gevallen niet te weten.