Slowaakse leider mikt niet op een totale breuk

Tsjechoslowakije stevent met open ogen op zijn desintegratie af. Twee jaar heeft het debat over de staatkundige toekomst van het land de politiek gedomineerd, de hervormingen vertraagd en zowel het internationaal-politieke als het internationaal-economische vertrouwen in het land ondermijnd.

En na die twee jaar van oeverloze, allesverlammende en niets opleverende onderhandelingen, debatten, ruzies en conferenties zijn zelfs veel Tsjechen, die traditioneel veel meer solidariteit opbrengen met de federale staat dan de Slowaken, het meer dan beu: bij die Tsjechen is de wrevel langzamerhand zo sterk dat de wens die zeurende Slowaken nu eindelijk aan hun eigen lot over te laten, gaat overheersen. Niets staat de desintegratie nog in de weg.

Ook internationaal bestaat er maar weinig begrip voor de motieven, wensen en klachten van de Slowaken. In diverse hoofdsteden begint lichte paniek te domineren: het mag dan wel geen oorlog worden, in Tsjechoslowakije, na de spectaculaire desintegratie van de Sovjet-Unie en Joegoslavië zit Europa niet te wachten op nog een staat die uiteenvalt. En omdat het de Slowaken zijn die in het eindeloze debat in Tsjechoslowakije de eisende partij zijn, krijgen zij van het buitenland doorgaans de schuld.

Het is een trend die nog wordt versterkt door de reputatie van de hoofdrolspelers: president Václav Havel ligt goed in het Westen, net zoals Václav Klaus, zijn chef-hervormer. Vladimir Meciar daarentegen, de Slowaakse leider, ex-bokser, ex-metaalarbeider, ex-communist vooral, en mogelijk zelfs ex-agent van de vroegere geheime dienst, wordt gewantrouwd: hij is degene die met vuur speelt.

Dat oordeel is, in al zijn simpelheid, oneerlijk, al was het maar omdat het al te makkelijk voorbijgaat aan de Slowaakse frustraties. Economisch hebben de hervormingen, door de Tsjech Klaus in Praag uitgedokterd, overal in Tsjechoslowakije een spoor van ellende getrokken in de vorm van prijsschokken en werkloosheid. Maar het spoor is in Slowakije veel dieper dan in Bohemen en Moravië.

Procentueel zijn er drie keer zoveel werklozen in Slowakije als in de Tsjechische landen, en van de buitenlandse investeringen is negentig procent in Bohemen en Moravië terechtgekomen en maar tien procent in Slowakije. De gemiddelde lonen en de produktie per capita liggen in Slowakije twintig procent onder die de Tsjechische landen. Voor elke vacature zijn in Bohemen drie kandidaten, in Slowakije dertig.

In Bratislava is men ervan overtuigd dat in Praag elk mededogen met de gevolgen van de hervormingen in Slowakije ontbreekt en dat de hervormingen van de harde heelmeester Klaus in aard en tempo veel meer zijn toegesneden op de industrieel beter ontwikkelde regio's Bohemen en Moravië dan op het vooral agrarische Slowakije.

In die context komen bij de geplaagde Slowaken de oproepen van een man als Havel niet meer over. Die mooi geformuleerde oproepen, bedoeld om in een moreel ontwrichte samenleving democratisch fatsoen en een nieuw soort tolerantie te planten, slaan dood bij mensen die niet weten hoe ze hun kinderen te eten moeten geven en die geen licht aan het eind van de tunnel zien. In de sfeer van alledaagse misère gedijen politici als Vladimir Meciar heel wat beter dan de in concepten denkende intellectuelen, een fenomeen dat zich overigens overal in Oost-Europa aftekent: de tijd van de intellectuelen is voorbij.

Meciar spreekt de taal van de gewone Slowaken, hij verwoordt met zijn cynische grappen over de Praagse heren de Slowaakse frustraties en angsten. Dat hij een ex-communist is zien veel Slowaken in die context gewoon door de vingers. De tegenstelling Havel versus Meciar is die van de toneelschrijvende ex-dissident en intellectueel versus de tough talking politicus, die van de filosoof versus de pragmaticus, die van fluweel versus schuurpapier, en in Slowakije - en niet alleen daar - is de eerste categorie out.

Daar komen de historische frustraties bij. Bohemen en Moravië zijn eeuwenlang uit Wenen geregeerd, Slowakije viel onder Hongaars gezag. De behandeling liep uiteen: de Habsburgse keizers onderdrukten in Bohemen en Moravië de Tsjechische taal en de Tsjechische cultuur, maar Praag was wel degelijk een (Duitstalig) cultuurcentrum van formaat, het was de stad van Midden-Europa's oudste universiteit, een stad waar die keizers graag verbleven, de stad van Rudolf en Kepler en Mozart en Tycho Brahe.

Slowakije was al die eeuwen een land waar de Slowaken halve horigen waren. Slowakije staat vol kastelen en paleizen, rotsvestingen en landhuizen, maar daar woonden de Hongaarse landheren; de Slowaken waren boeren, die woonden in drevenica's, hutten van stro en gedroogde mest. Als de Slowaken al een geschiedenis hebben is het er een van Hongaarse edelen. De Hongaarse dichter Sándor Petöfi heeft de Slowaak vooral spottend geschilderd: een ketellapper met een rode neus en een versleten kiel, een folkloristische aardigheid waar het uitgestrekte Hongaarse koninkrijk rijk aan was.

Geen wonder dat de Slowaken in 1918 de uitroeping van de Tsjechoslowaakse staat als een bevrijding begroetten. Sindsdien zijn ze evenwel in de partnerschap met de Tsjechen tot vier keer toe teleurgesteld: eerst na 1918, toen de Tsjechische staatsman Masaryk maar weinig begrip bleek te hebben voor het Slowaakse streven naar emancipatie, vervolgens na de Tweede Wereldoorlog, toen de Slowaken niet slechts in een dictatuur belandden, maar ook nog in een - naar hun gevoel vooral - Tsjechische dictatuur, voor de derde keer in 1969, toen de nieuwe grondwet hun meer rechten gaf waar ze in de praktijk weinig van merkten, en ten slotte in de drie jaar sinds 1989, een periode waarin de schaarse economische vruchten toch vooral aan de Tsjechische kant van de grens zijn geplukt.

Tegen die achtergrond is het Slowaakse streven, zich eindelijk van het Praagse paternalisme te bevrijden, verre van onredelijk. De vraag is nu vooral hoe ze zelf vinden dat die bevrijding gestalte moet krijgen. Begin dit jaar bleek bij een peiling tien procent van de Slowaken te vinden dat Tsjechoslowakije daadwerkelijk in twee volledig onafhankelijke staten moest worden opgedeeld. Sindsdien hebben veel Slowaken, gefrustreerd door het uitblijven van resultaten in het permanente debat, zich op sleeptouw laten nemen door mensen als Meciar: ze zijn geradicaliseerd.

Dat betekent echter nog altijd niet dat een meerderheid van de Slowaken een permanente, werkelijke en volledige breuk wenst. Sterker: het is twijfelachtig of Meciar die wil. Vladimir Meciar is een populist en een demagoog, en een ex-communist is hij ook. Maar hij is zonder twijfel ook de slimste politicus van Tsjechoslowakije. Hij speelt een politiek spel, waarbij hij bluft, dreigt en overvraagt en werkt met verdekte kaarten, maar waarbij hij niet mikt op een totale breuk. Net zoals de meeste Slowaken heeft Meciar voldoende gezond verstand om te weten wat Slowakije dan - vooral economisch - te wachten staat.

Voorspellingen over de afloop van de crisis zijn speculatief. Meciar mikt op een confederatie naar GOS-model, met een eigen Slowaakse zetel in de VN en de CVSE, maar zou mogelijk ook genoegen kunnen nemen met een federatie waarin het federale gezag volledig is uitgekleed. Dat doel kan worden bereikt door eerst met Bohemen en Moravië te breken en vervolgens direct nieuwe - vooral economische - banden aan te knopen, in de vorm van douane-unies, open grenzen en dergelijke: een schone-lei-scenario dat verre van onzinnig is. Dat schone-lei-scenario had de Joegoslaven een burgeroorlog kunnen besparen als de emoties in Belgrado en Zagreb anderhalf jaar geleden al niet zo hoog waren opgelopen dat er naar de enkeling die er toen voor pleitte - de Sloveense leider Kukan, later ook de Bosnische leider Izetbegovic - niet meer werd geluisterd.

Foto: Vladimir Meciar. (Foto Reuter)