Onzichtbare topsport: vier kleine stippen onder een wolk

HOOGEVEEN, 19 juni. Je kunt kijken wat je wilt, maar iets zien ho maar. Toch gebeurt er, als je een parachutist die met beide voeten stevig op de grond staat mag geloven, “van alles” op zo'n 2500 meter. “Kijk, als je héél goed kijkt zie je links onder die wolk vier kleine zwarte stippen.” Een groepje toeschouwers dat om de man heen staat tuurt de lucht in. Vier kleine zwarte stippen? “En kijk, daar is een vijfde. Dat moet de cameraman zijn.”

Een publieksvriendelijke sport kun je het formatiespringen, een van de drie wedstrijddisciplines die het parachutespringen kent, niet noemen. De figuren die de teams in de vrije val tussen de drie en een kilometer maken (bijvoorbeeld een L-vorm of vier-op-een-rij), zijn met het blote oog niet waarneembaar. De video-opnamen die de cameraman - zwevend boven "zijn' team dat uit vier para's bestaat - maakt, zijn dan ook van groot belang voor de jury. Die bekijkt de beelden later op de dag op een televisiescherm en beoordeelt of de gemaakte figuren correct zijn uitgevoerd. Als de cameraman (de camera is op zijn helm bevestigd) de oefeningen niet of slechts gedeeltelijk in beeld weet te brengen, worden punten in mindering gebracht.

In Nederland staan ruim drieduizend parachutespringers bij de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart ingeschreven. Het merendeel springt voor het plezier of de kick - een woord dat in dit wereldje veelvuldig in de mond wordt genomen. Zo'n zeshonderd parachutisten nemen regelmatig deel aan wedstrijden. Naast het formatiespringen bestaan het "canopy relative work', waarbij teams van vier met geopende parachute figuren moeten maken, en het precisiespringen. Dit is de enige individuele wedstrijddiscipline. Parachutisten moeten proberen op of zo dicht mogelijk in de buurt van een ronde schijf te landen. Om tot de nationale top in de verschillende klassen door te dringen moet een wedstrijdspringer al gauw zo'n vier à vijfhonderd sprongen per jaar maken.

De "Short Pink Skyvan', een twee-motorig vliegtuig met een grote laadklep aan de achterkant, kiest tijdens het Open Nederlandse kampioenschap formatiespringen ieder halfuur het luchtruim. Per keer worden drie teams met hun vaste cameraman naar een hoogte van drie kilometer gebracht. Zittend op de vloer van het toestel vertellen de springers elkaar de laatste grappen en gaat een ijsje van mond naar mond. Van spanning is geen enkele sprake. “Voor ons is uit een vliegtuig springen net zoiets als uit een auto stappen”, zegt een jongen vlak voor de laadklep opengaat. Een paar seconden later verdwijnen de teams, na een gezamenlijk “ready, set, go”, een voor een de diepte in. Op dat moment zijn de 35 seconden die de teams voor hun figuren hebben ingegaan. In de vrije val wordt een hoogteverschil van bijna twee kilometer overbrugd. Na het teamwerk separeren de parachutisten zich om hun parachutes open te trekken, waarna ze enkele minuten later - nog vóór de Short Pink Skyvan is geland - alweer op de grond staan.

Omdat er bij mooi weer wel zes keer per dag wordt gesprongen, vouwt iedereen de flinterdunne, van kunststoffen gemaakte square- of matrasparachute (kosten zo'n tienduizend gulden) meteen weer op. Dit gebeurt met zoveel aandacht en nauwkeurigheid dat het meer wegheeft van het opvouwen van een exclusief zijden overhemd. Niet onbegrijpelijk, want slordigheid kan het verschil tussen leven of dood betekenen. Als de parachute is opgevouwen en qua omvang meer aan een zakdoek doet denken, wordt hij onderin de "container' (een mini-rugzak, zou de leek zeggen) opgeborgen.

Bovenin de container zit de reserve-parachute die bij blokkering van de hoofdparachute automatisch opengaat. En als dat niet gebeurd? “Dan heb je een probleem”, zegt Ernst Woerlee, die met zijn team "Virus' tweede werd bij het formatiespringen, lachend. “Hopelijk heb je op dat moment zelf geen brainlock en herinner je je precies welke handelingen je moet verrichten om de reserve-chute alsnog open te krijgen. De opleiding bestaat voor een groot gedeelte ook uit het simuleren van noodgevallen. Wat je dan moet doen wordt er echt ingedrild.” Ter verhoging van de veiligheid zijn de springers verplicht hun uitrusting drie keer per jaar te laten controleren door daarvoor bevoegde deskundigen.

Woerlee en de ander parachutisten zijn het er over eens dat de kans dat beide parachutes niet opengaan te klein is (“hooguit nul-komma-nul-nul-nul-een procent!”) om je daar druk over te maken. “De kans dat ik morgen bij het oversteken wordt aangereden door een auto is veel en veel groter.”

In de hal van het paracentrum bij vliegveld Hoogeveen kijkt een groepje parachutisten naar een groot videoscherm waarop de figuren die ze eerder op de dag hebben gemaakt worden vertoond. Het is een fascinerend schouwspel, die rondzwevende para's. Een van hen probeert de kick van de vrije val te beschrijven. “Je bent zo vrij als een vogeltje. Je kunt alle kanten op.” Alle kanten? “Nou ja, bij wijze van spreken. Je gaat natuurlijk vooral naar beneden, want het vallen gaat gewoon door. En terug naar het vliegtuig gaat ook niet. Dat is zo'n beetje de enige honderd procent zekerheid die je in deze sport hebt”, zegt hij lachend.

Foto: Formatiespringen in de vrije val. "Het vallen gaat gewoon door, maar verder kan eigenlijk alles. Behalve terug naar het vliegtuig natuurlijk.''