Oekraïne tussen plan en markt; Samenwerking met het IMF stuit op logistieke problemen; Niemand in de republieken verstaat het IMF-jargon

DEN HAAG, 19 JUNI. In Kiev maakte mr. G.J. Posthumus aan den lijve mee hoe dramatisch de geldsituatie in de voormalige Sovjet-Unie is. Posthumus, de Nederlandse bewindvoerder bij het Internationale Monetaire Fonds (IMF), wilde in het restaurant van zijn hotel eten. De maaltijd moest contant afgerekend worden - in roebels. Voor de dollars die Posthumus bij zich had, had de ober geen belangstelling. Of hij ze maar wilde wisselen bij het bureau naast de receptie van het hotel.

Het wisselkantoortje had geen roebels in voorraad en vroeg hem later nog eens terug te komen. Ten einde raad wisselde Posthumus zijn dollars bij de receptie om in Oekraïense coupons, maar ook die weigerde het restaurant te accepteren. Tegen een ongunstige koers (officieel is een Oekraïense coupon een roebel waard) ruilde Posthumus zijn coupons achter de toonbank in roebels en kon hij zijn maaltijd afrekenen.

“Het betalingsverkeer functioneert totaal niet”, constateerde Posthumus. De geldcrisis is dramatisch in de Oekraïne, in Rusland en de overige republieken van de uiteengevallen Sovjet-Unie. Er heerst een tekort aan roebels, in sommige gevallen betalen bedrijven hun personeel geen loon uit omdat er geen roebels beschikbaar zijn. De Russische centrale bank, de enige die roebels drukt, kan de vraag naar bankbiljetten niet aan nu de prijzen zijn verveelvoudigd. De geldciruclatie en de grootte van de coupures zijn daarop niet afgestemd.

De centrale banken van de republieken hebben geprobeerd afspraken te maken over de roebel en het monetaire beleid, maar dat is mislukt. Rusland heeft iedere vorm van coördinatie van het monetaire beleid door de republieken die de roebel nog steeds als geld gebruiken, afgewezen. Rusland bepaalt het beleid en de republiek die daar bezwaar tegen hebben moeten maar uit het roebelgebied stappen.

Alle republieken moeten een centrale bank hebben, maar nog geen enkele republiek heeft een centrale bank die functioneert, zegt Posthumus. Dat geldt voor vrijwel alle overheidsinstellingen. Vroeger gebeurde alles centraal in Moskou en nu de Unie uit elkaar is gevallen, is er niets meer.

Vorige maand maakte Posthumus een reis naar de Oekraïne, Moldavië en Georgië. Deze drie republieken maken sinds kort deel uit van de Nederlandse kiesgroep bij het IMF, waarvan Posthumus de vertegenwoordiger in het bestuur van het IMF is. Ook bij de zusterorganisatie van het IMF, de Wereldbank, maken deze landen deel uit van de Nederlandse kiesgroep.

De reis langs de nieuwe lidstaten van de kiesgroep was typerend voor de logistieke uitdaging die de integratie in de wereldeconoie van drie republieken met zich meebrengt. Van Kiev, de Oekraïense hoofdstad, ging Posthumus per trein naar de Moldavische hoofdstad Chisinau, een reis van twaalf uur en waarvoor het kaartje 140 roebel kostte (ongeveer twee gulden). De snelste verbinding van Moldavië naar Georgië, aan de andere kant van de Zwarte Zee, was met een chartervlucht voor zakenlieden en toeristen naar Tbilisi via Wenen.

“Alle vormen van technische hulp zijn dringend nodig in deze republieken”, zegt Posthumus. Nederland heeft steun gegeven voor het opzetten van bureautjes op de ministeries die belast zijn met het contact met het IMF en de Wereldbank. Een fax-apparaat is een wondermiddel, dat contact met de buitenwereld legt, ook al moet iedere verbinding via de telefooncentrale worden aangevraagd. Probleem blijft dat vrijwel niemand op de ministeries Engels spreekt, laat staan het financiële jargon van het IMF of de Wereldbank beheerst.

Als bewindvoerder van het IMF heeft Posthumus geprobeerd de werking van het Fonds uit te leggen bij zijn nieuwe achterban. In Georgië had hij een ontmoeting met oud-minister van buitenlandse zaken Edoeard Sjevardnadze, in Moldavië heeft hij de autoriteiten gewezen op het nut om in september de jaarvergadering van het IMF bij te wonen, waar alle ministers van financiën, centrale bankpresidenten en topbankiers van de wereld zich verzamelen. Het was nuttig, deze reis, zegt Posthumus. Het is, zegt hij bijna verontschuldigdend, net of ik een stel foto's heb gemaakt, momentopnames waarin geen volgorde en geen verhaal zit.

Het IMF zendt voortdurend missies naar de nieuwe lidstaten in de voormalige Sovjet-Unie. Ook dat stuit op problemen, vertelt Posthumus. Ieder IMF-programma neemt als uitgangspunt de betalingsbalans van een land. De nieuwe republieken hebben geen betalingsbalans. In de oude Sovjet-Unie was die niet nodig, er bestond immers geen binnengrens. Posthumus: “In Kiev werkten op het bureau voor de statistiek 30.000 mensen die iedere dag aan Moskou opgaven hoeveel er per bedrijf geproduceerd werd.” Zo werd de centrale planeconomie gevoed, maar met dergelijke gegevens valt geen betalingsbalans op te stellen. Daarvoor is een nieuwe administratie nodig, waarbij niet langer het volume, maar de prijs van verhandelde goederen wordt geregistreerd. Alleen: veel goederen hebben helemaal geen reële prijs.

Ondanks de aangekondigde hervormingen - waarbij Rusland voorop loopt, gevolgd door de Oekraïne en op afstand de overige republieken - gaat de oude planeconomie op de automatische piloot door. Staatsbedrijven leveren goederen aan andere staatsbedrijven, zoals het plan voorschreef, zonder te weten of de afnemers nog behoefte aan die goederen hebben. Niemand schijnt zich af te vragen af of die goederen ergens anders goedkoper gekocht kunnen worden, of de onderlinge vorderingen van bedrijven ooit betaald zullen worden. De republieken zweven in een niemandsland tussen planeconomie en markteconomie, de ene functioneert niet meer en de andere bestaat niet, zegt Posthumus. En ondertussen daalt de produktie, dalen de inkomens van de bevolking met tientallen procenten en is het einde van de crisis niet in zicht.

De Westerse landen zijn te afwachtend met ondersteuning van de hervormingen, meent Posthumus. Ze wachten totdat het IMF een bijstandsprogramma met de republieken heeft geformaliseerd, maar dat zal in de meeste gevallen nog maanden duren, verwacht hij. Een aantal Westerse landen - de VS, Groot-Brittannië, en geleidelijk zelfs Duitsland dat zijn handen al vol heeft aan de financiering van Oost-Europa - zou het liefst zien dat het IMF en de Wereldbank de komende jaren de financiering van de hervormingsprogramma's volledig voor hun rekening nemen. Dan hoeven ze zelf niets bij te dragen en kunnen ze afwachten of de hervormingen aanslaan. Maar zelfs bij de financiering door het IMF en de Wereldbank doen zich onverwachte problemen voor: de beide instellingen kunnen pas programma's financieren als nieuwe lidstaten hun aandeel hebben gestort. Sommige republieken beschikken zelfs niet over de harde valuta om hun lidmaatschap te betalen.

Foto: Mr.J.G. Posthumus, de Nederlandse bewindvoerder bij het IMF. (Foto NRC Handelsblad/ Leo van Velzen)