Nog meer veren, nog wildere pruiken; Het egotheater van popster Elton John

Weinig popsterren hebben het zo hard te verduren gehad als de Engelse zanger Elton John, die vanavond optreedt in de Kuip. Zijn carrière wordt gekenmerkt door een opeenvolging van diepe persoonlijke crises, waarna de artiest zichzelf steevast als herboren verklaart. Maar terwijl andere sterren uit de jaren zeventig schaduwen van hun vroegere zelf zijn, is hij de inspiratiebron voor een nieuwe generatie rockmusici. Deze week verscheen zijn nieuwe plaat, The One. “De muziek van Elton John roept het gevoel op van een avond temidden van mensen om wie je geeft, waarvan er een plotseling aan de piano gaat zitten en simpele liedjes begint te zingen.”

Philip Norman: Elton. Uitg. Century/Hutchinson. Prijs ƒ 68,20. De nieuwste cd van Elton John, The One, is uitgebracht door Rocket Records/Phonogram. Vanavond, 19 juni, geeft Elton John een concert in het Feijenoordstadion in Rotterdam.

De jaren zeventig zijn nog altijd de jaren van het gemis. Het is een decennium dat ook achteraf gezien een vaste kern mist; een langgerekt naspel en voorspel tegelijk, een periode waarin iedereen nostalgisch terugblikte of vooruitverlangde òf zijn ogen stijf dichtkneep. Wie opgroeide in de lange schaduw van de jaren zestig, moet wel vertrouwd zijn met het gevoel dat wat hij meemaakt geen gewicht in de schaal legt, zich niet werkelijk hecht aan de tijd. Wat waardevol is, is al geweest, of moet nog komen.

Geen wonder dus dat de culturele helden van die periode figuren waren die aan zichzelf en aan hun tijd leken te ontsnappen: travestieten en lepelbuigende paranormalen, ruimtevaarders en hobbits. Ook in de muziek overheerste het idee dat er na het uiteenvallen van de Beatles niets echt meer kon gebeuren, een apathie die aanhield tot het uitbreken van de punk in 1977; het gevolg was een reeks eindeloze verkleedpartijen, met glitter, oogschaduw en satijn, wijde capes, ruimtepakken en zo hoog mogelijke hakken. De muziek was zelf travestie. Rocksterren leenden nu eens een symfonieorkest, dan weer wat countryviolen en een wasbord, en vervolgens nog wat soulzang.

De twee grootste (en belangrijkste) rocksterren van die jaren, David Bowie en Elton John, waren dan ook allesbehalve zichzelf. Beiden creëerden personages waaruit een paradoxale gespletenheid sprak: een allesoverheersende aanwezigheid, gecombineerd met een totaal gebrek aan persoonlijkheid. Ziggy Stardust, The Thin White Duke of domweg The Messiah (een mediatitel die zowel Bowie als John een tijdje mochten dragen), het waren stralende personages die uit het niets voortkwamen. Zowel Bowie als Elton maakten hun ego tot theater, waarbij de transformatie tot het hoogste goed werd. Een nieuwe lp van Bowie beloofde altijd een radicale ommekeer, niet alleen muzikaal, maar ook in de persoonlijkheid van de zanger. Bij Elton John bleek iedere overtreffende trap in uitzinnigheid altijd gevolgd te worden door een nog grotere; nóg meer veren, nóg hogere hakken, nóg wildere pruiken en dwazere monturen (wie een blik werpt in de Sotheby-catalogus van Elton Johns collectie, die hij in 1988 tijdens een van zijn vele bezinningsperioden van de hand deed, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat hier een compleet tijdperk werd geveild). Over Johns beste plaat Goodbye Yellow Brick Road uit 1973 merkt zijn biograaf Philip Norman terecht op: “De generatie van zeventig had lang moeten wachten op een plaat die zo weelderig, gecompliceerd, gewichtig en hartstochtelijk over niets ging.”

Klerenkast

Hoe groot de gelijkenis tussen de twee megasterren ook is, de verschillen zeggen meer. David Bowie transformeerde zich, Elton John verkleedde zich. Terwijl Bowie met iedere plaat moeiteloos leek op te gaan in weer een nieuw personage en David Jones ver achter zich liet, bleef Elton altijd de te zware, slechtziende Engelse lower middle-class Reg Dwight, een kalende jongen achter zijn piano, veren of geen veren. Avant-garde kunstenaars als Andy Warhol en William Burroughs verschaften de vernieuwer Bowie het materiaal waarmee hij zijn personae kon aankleden; Elton John leek zich te laten inspireren door de klerenkast van Liberace. De creaties die Elton op het podium bracht, waren nooit oorspronkelijk. Integendeel, in fotoalbums van zijn concerten tref je alle twee-dimensionale iconen van de massacultuur aan: Elton als Mickey Mouse, Donald Duck, Amadeus en Ronald McDonald. Die absurde kostuums vormden een schrijnend contrast met de nummers die de zanger bracht: rechttoe-rechtaan rock 'n' roll, bluesy balladen en ingehouden luisterliedjes. En hoezeer hij ook zijn best deed, het wilde maar niet camp worden. Anders dan bij meesters in de zelfvergroting zoals Freddie Mercury, bleef de uitstraling van Elton John altijd ver achter bij zijn bühnepresentatie. De uitzinnigheid van de laatste veroorzaakt altijd een gevoel van plaatsvervangende schaamte.

Je kunt het zien op oude registraties van televisieoptredens halverwege de jaren zeventig, Johns glorietijd in de Verenigde Staten: terwijl Elton op stelten het podium ophobbelt in zijn zilveren glitterkostuum met engelenvleugels en een bril waarin een complete juwelierswinkel verwerkt lijkt, kijken zijn gastheren naar hem met een blik van een moeder die haar wat stille zoon plotseling in een jurk de kamer binnen ziet komen en besluit te doen alsof er niets aan de hand is.

John verkleedpartijen waren altijd zo mis, dat ze vertedering opwekten. Ze schiepen geen enkele illusie. De Engelse popcritici lieten dan ook geen gelegenheid ongebruikt om te laten zien dat ze door zijn vermomming heenkeken; weinig popsterren hebben het zo hard te verduren gehad ("a pasty little troll' is nog een van de aardigere benamingen). In een interview ter gelegenheid van de vijfentwintigjarige samenwerking met zijn vaste tekstschrijver Bernie Taupin op de videotape Two Rooms, zegt de zanger dat hij misschien iets te ver is gegaan: “Maar ik had het nodig, Reg wilde Elton zijn en Elton juist weer Reg.”

tk Mozartpruik

Die uitspraak vat het mooi samen: Elton John is een man die niet weet wie hij is. Hij heeft zijn naam veranderd, vertolkt in zijn liedjes de gevoelens van een ander (een van de weinige uitzonderingen, het nummer "Someone Saved My Life Tonight', dat Taupin schreef over een zelfmoordpoging van John aan de vooravond van een op het laatste moment afgeblazen huwelijk, blijft erg aan de oppervlakte), heeft zijn haar van anderen door middel van een reeks pijnlijke operaties gemplanteerd gekregen (Philip Norman noemt zijn schedelhuid oneerbiedig "the killing fields'). Zijn carrière wordt gekenmerkt door een opeenvolging van diepe persoonlijke crises, waarna de zanger zichzelf steevast als herboren verklaart. Ik herinner me een sober concert in Amsterdam aan het eind van de jaren zeventig, toen John zijn band de deur had uitgedaan en alleen aan de piano zijn nummers zong, slechts bijgestaan door zijn percussionist Ray Cooper, zonder bizarre kostuums of show. Zo zou het altijd zijn, verklaarde hij in interviews, eenvoud was nu troef; een paar jaar later stond hij schuddend met zijn kontje in een Donald Duck-pakje in Central Park en zat hij met een torenhoge Mozart-pruik op zijn kop aan zijn piano in Melbourne. Ook ter ere van zijn deze week verschenen cd The One, een van zijn betere van de laatste jaren, verklaarde hij eindelijk gevonden te hebben waar hij zo lang naar gezocht had: innerlijke rust.

Wat niet is, kan niet gevonden worden. Maar zo gaat het altijd met Elton John. Gigantische verzamelingen worden aangelegd en afgestoten, brillen worden vervangen door contactlenzen (die weer door brillen worden opgevolgd), vaste begeleiders vliegen de laan uit en worden even snel weer aangenomen, zijn taille dijt uit en slinkt, de blonde surfboys uit zijn entourage worden verdrongen door een begrijpende Duitse echtgenote (inmiddels vervangen door de Amerikaan die John zijn Grote Liefde noemt). Het wilde leven van een megaster maakt plaats voor dat van een eenvoudige Engelse voetbalsupporter uit de Londense voorsteden, die op zijn beurt het veld ruimt voor een alcoholistische, cokesnuivende dikzak à la Elvis Presley.

Wie Elton leest, de gedegen biografie die Philip Norman een jaar geleden publiceerde, verbaast zich er allereerst over dat Elton John er überhaupt nog is - zo vaak is hij al voorgoed afgeschreven. Terwijl andere rocksterren, zoals Bowie, McCartney en Jagger, nog maar de schaduw van hun vroegere zelf zijn, blijkt hij tegen iedere verwachting in weer recht overeind te staan. De rek is nog steeds niet uit zijn muziek; tussen wat hij produceert zit wel veel rotzooi, maar dat was vroeger ook al het geval. En dat terwijl hem niets bespaard is gebleven: na een moeizame start in de stal van platenbons Dick James, die leidde tot de lp Elton John, met evergreens als "Your Song', "Sixty Years On' en "Border Song', is het voortdurend vallen en opstaan geweest. Natuurlijk heeft John het proces doorgemaakt dat iedere wereldster te wachten staat - gebrek aan liefde, gebrek aan succes, teveel succes, processen tegen vroegere weldoeners, een gemene manager, vreemde medische klachten - maar hij heeft bovendien nog te maken gehad met de gevolgen van zijn openhartige uitspraken over zijn biseksualiteit: als voorzitter van de voetbalclub Watford kreeg hij iedere wedstrijd van een duizendkoppige menigte “Elton is a homosexual' te horen.

Aan het eind van de jaren tachtig begon The Sun een campagne tegen hem die bol stond van de homohaat: hoerenjongens werden geronseld om te getuigen dat John zich schuldig maakte aan homoseksuele coke-orgieën. Tegen iedere verwachting in ("echte' rockzangers, zoals Mick Jagger, probeerden hem ervan te weerhouden) sloeg Elton John terug en klaagde The Sun aan wegens smaad. De krant antwoordde eerst met elke dag opnieuw de smerigst denkbare retoriek en foto's van een naakte Elton met een arm om een jongen heen (vergezeld van de boodschap dat er nog een foto was die te goor was om af te drukken), maar begon terug te krabbelen toen bleek dat John de zaak zou winnen. Uiteindelijk betaalde The Sun hem een miljoen schadevergoeding en publiceerde een rectificatie onder de kop "Sorry, Elton'. De krant is daarna nooit meer dezelfde geweest.

Postzegels

Over Elton John wordt altijd gezegd en geschreven dat hij zo gewoon gebleven is ("one of the lads'). Daarmee wordt ongewild bedoeld dat het hem nooit gelukt is aan zichzelf te ontsnappen, anders dan de meeste rocksterren. Welke capriolen hij ook uithaalt, welke muzikale invloeden hij ook absorbeert, hoeveel miljoen platen hij ook verkoopt, Elton John blijft altijd een man die Reg Dwight heet en achter een piano zit en liedjes zingt. Hij is geen muzikale vernieuwer zoals Bowie; misschien juist daarom valt er van hem nog iets te verwachten en van Bowie niet. Toen Bowie begin jaren tachtig zijn laatste masker aflegde en verklaarde dat hij eigenlijk maar een gewone jongen was, zag hij er meteen uit als een charlatan. Bij Elton John keek je altijd al door ieder imago heen. Van de pakweg tweehonderd nummers die hij en Taupin schreven, kunnen er heel wat met de vuilnisman mee (wat de zanger zelf bevestigt met zijn uitspraak dat hij zijn liedjes beschouwt als postzegels die je op een envelop plakt en vervolgens nooit meer terugziet), maar een flink aantal klassiekers heeft hun samenwerking wel opgeleverd. Johns arrangementen zitten vast aan de periode waarin ze geschreven zijn en veel ervan lijken gecomponeerd door een speedy huisvrouw achter een Riha-orgel, geassisteerd door de gebroeders Brouwer; teruggebracht tot piano met zangstem blijken het echter melodieën te zijn die je nooit meer vergeet. (Soms is dat jammer: de verschrikkelijke wereldhit "Nikita' blijkt niet uit je geheugen te wissen.) Hoewel hij vaak genoeg tot hun niveau is afgedaald, bestaat er een groot verschil tussen Elton John en zangers als Chris Rea, Chris De Burgh en Billy Joel. Zelfs Axl Rose van de zelfmoordgroep Guns 'n' Roses schaamt zich er niet voor Elton John een inspiratiebron te noemen.

Dat is het geheim van Elton John: zijn muziek roept het gevoel op van een avond temidden van mensen om wie je geeft, van wie er een plotseling aan de piano gaat zitten en simpele liedjes begint te zingen. Sommige zijn niet meer dan aardig, andere alleen grappig, een enkele plotseling diep ontroerend. De teksten doen er niet eens zoveel toe (Taupins veelgeprezen teksten zijn in hun geheel zelden bijzonder, het zijn altijd een of twee regels of een paar woorden die je bijblijven). Zulke liedjes bevestigen wat is, of wat kan zijn; en dat gaat recht in tegen de ambities van de doorsnee-popmuziek, die er prat op gaat een compleet andere wereld te scheppen. De meeste megasterren van nu creëren een persoonlijk enigma en projecteren hun fantasieën en droombeelden in hun muziek, opdat hun fans als het ware tijdelijk buiten zichzelf kunnen treden. Elton John heeft dat ook geprobeerd, steeds weer tevergeefs, maar in zijn mislukking schuilt zijn succes. Onwillekeurig vertolkt hij gevoelens die iedereen herkent. Als hij op zijn best is, zingt hij een soort huiselijke blues: grote verlangens in kleine omstandigheden.