Moeder Aagt en samengeknepen tenen

Het gebeurde weliswaar niet vaak, maar wanneer de aardappels eens aangebrand waren, placht ik aan tafel Starings onsterfelijke regel te citeren: “...heeft aangebrand ook voetjes, moeder Aag?”. Maar nu blijkt dat ik mijn kinderen verbasterd Nederlands erfgoed heb doorgegeven, want het moet niet zijn: "moeder Aag', maar "moeder Aagt', zoals al blijkt uit het eind van de voorgaande regel, dat luidt: “...terwijl hij vraagt:”

Een lezer, kennelijk beter op de hoogte van de Nederlandse letterkunde dan ik, maakte mij hierop opmerkzaam, nadat ik hier op 15 mei opnieuw van "moeder Aag' gesproken had. Het is altijd hachelijk uit je hoofd te citeren, maar geen van de drie bloemlezingen uit de Nederlandse poëzie die ik in mijn kast heb staan, bevatte het desbetreffende gedicht.

Tekstkritiek heb ik ook gekregen van Max Pam, die mijn artikel van 22 mei op de snijtafel van de Achterpagina (29 mei) legde. Hoewel ik weet dat lezers niets vervelender vinden dan gehakketak tussen columnisten - zeker wanneer ze de teksten waarom het te doen is, niet voor zich hebben liggen (en in de krant van gisteren wordt de vis ingepakt) - wil ik er toch even op ingaan.

Pam heeft niet minder dan "24 hele en halve fouten' in dat artikel van mij aangetroffen. Sommige van zijn opmerkingen snijden hout, waarbij ik in het midden laat of het echt fouten zijn. Maar goed, enkele van zijn opmerkingen zou ik ook gemaakt kunnen hebben.

Maar wat ik merkwaardig vind, is dat hij in de meeste gevallen mijn taal toetst aan de regels die het stijlboek van de Volkskrant geeft. Nu heb ik weliswaar de eer genoten het eerste exemplaar van de handelseditie van dit boek in ontvangst te mogen nemen, maar dat wil niet zeggen dat het nu plotseling mijn taalbijbel is geworden.

Het Stijlboek schrijft bijvoorbeeld westers (met een kleine w) en Marshall-hulp (met koppelteken). Is het dus fout wanneer ik Westers en Marshallhulp schrijf? (Van Dale geeft overigens Marshallhulp zonder koppelteken). Als het fouten zijn, zijn het trouwens fouten die ik volstrekt oninteressant vind en dan ook nooit in mijn rubriek behandel.

Ook oefent Pam kritiek op mijn stijl uit. Ook hier zijn zijn opmerkingen misschien niet misplaatst, maar stijl is een kwestie van smaak, waaromtrent geen regels vallen vast te stellen. In mijn rubriek bemoei ik me dan ook niet met stijl (hoewel ik er wel gevoelig voor ben).

Kortom, ik heb met belangstelling kennis genomen van Pams kritiek; ik heb er zelfs wat van geleerd, maar ik moet zeggen dat ik een groot deel ervan uit taalkundig oogpunt hetzij oninteressant hetzij irrelevant vond.

O ja, nog één opmerking. Pam noemt mij meermalen "meneer Heldring'. Ik waardeer die gepaste eerbied. Of was het lollig bedoeld? Zo ja, dan moet Pam het Stijlboek, dat hij blijkbaar wèl al dadelijk als zijn bijbel heeft geadopteerd (wat doet zo'n rechtgelovige op de lichtzinnige Achterpagina?), nog eens nalezen. Daar staat onder het hoofdje humor:

“Vermijd lolligheid. In het algemeen verdient het aanbeveling feiten en compositie hun werk te laten doen. Humoristisch bedoelde wendingen hebben vaak een averechts effect: geen glimlach, maar samengeknepen tenen.”

Ik heb nog wat ruimte voor taalvondsten uit de afgelopen vijf weken:

“Het raadsel waarom Vestdijk sneller schreef dan God kan lezen is simpelweg omdat de schrijver bij vlagen zo manisch was als een lampekap.” Het raadsel is omdat . . .? Het antwoord op het raadsel is dat . . .

“De Amerikaan met de oorspronkelijk Nederlandse achternaam Keyzer.” Het is nog steeds een Nederlandse achternaam.

“Op de eerste dag van de lagere school thuiskomend, vroeg zijn moeder: "Hoe was het?' ” Kwam zijn moeder van school thuis?

“De onderzoekmethoden waren nog lang niet zo perfect als nu.” Maar wel een beetje perfect?

“Dat het CDA een debat wil over ontwikkelingssamenwerking zint de minister geenszins en ziet hij als de ultieme aanval op zijn gezag.” Vergelijk: dit schilderij zint mij niet langer en haal ik dus van de muur.

“Subic Bay is misschien de ideaalste natuurlijke haven.” Kan iets nog idealer dan ideaal zijn?

“. . . de wijzigingsvoorstellen waar senator Grol om gevraagd had, maar tot dan niet had gekregen.” Waar is die gebleven?

“Katholieken ageerden tegen herdenkingen van gebeurtenissen uit de Tachtigjarige oorlog. Zij duchtten het antipapisme, dat dergelijke feestvieringen kon oproepen.” Wat riep wat op? Het antipapisme die feestvieringen? Of die feestvieringen het antipapisme?

“. . . als er een land is dat goed in staat moet worden geacht om de loon- en prijsspiraal in bedwang te kunnen houden dan is het Nederland wel.” Dubbelop: wie tot iets in staat is, kan dit.

“. . . omdat wie goed leest tot geen andere conclusie kan komen dat de Dasa nog even wil profiteren van de succesvolle Fokker 50.” Geen andere conclusie dat . . . of dan dat?

“. . . wat Mondriaan picturaal gestalte wist te geven maar filosofisch slechts zeer onbeholpen vermocht te formuleren.” Derde en vierde naamval op één hoop gegooid, maar het onderscheid tussen deze twee naamvallen wordt nauwelijks meer onderkend (nota bene: dit is geen klacht).

Iets soortgelijks gebeurde in deze zin: “Ik geloof niet dat deze regering kan functioneren en een lang leven beschoren is.”