Melkkoeien staan niet alleen op stal

Het afblazen van de fusie tussen de zuivelgiganten Friesland Frico Domo en Coberco heeft veel weg van een schijnbeweging. Zeker, op korte termijn is de fusie van de baan. Maar wie iets verder kijkt, komt al gauw tot de conclusie dat beide concerns tot elkaar veroordeeld zijn. Alleen: ze kunnen de fusie op dit moment (nog) niet aan hun achterban verkopen.

Fusies tussen concerns die voor een belangrijk deel dezelfde produkten maken kosten in de beginfase altijd veel geld. De voordelen van zo'n schaalvergroting mogen op termijn evident zijn, eerst moet er meestal veel geld op tafel komen. Want het beleid moet op elkaar worden afgestemd, de produktie moet worden gereorganiseerd en de huisstijl moet concernwijd op een nieuwe leest worden geschoeid.

Friesland Frico Domo en Coberco veronderstelden in februari, toen ze het fusieplan ontvouwden, dat zij deze extra kosten zouden kunnen financieren uit een hogere omzet en een efficiëntere afzet. Onderzoek van een adviesbureau heeft echter uitgewezen dat ze daarvan geen hoge verwachtingen mogen hebben.

Externe financiering van de aanloopfase is uit den boze. De zuivelcoöperaties zijn juist bezig hun eigen vermogen op te krikken. Een noodzakelijke en urgente operatie, als ze ten minste willen blijven meetellen op de Europese markt. Hun eigen vermogen, uitgedrukt in percentage van het balanstotaal, schommelt momenteel tussen de 20 en 30 procent en dat is structureel te laag in vergelijking met bijvoorbeeld de belendende voedingsmiddelenindustrie.

Een ander alternatief zou zijn aan de boeren een lagere melkprijs te betalen. Maar die suggestie is onder de huidige omstandigheden bijna nog erger dan vloeken in de kerk. Want het zijn juist de melkveehouders die hun coöperaties onder steeds zwaardere druk zetten om de melkprijs te verhógen, opdat zij hun door de superheffing belemmerde bedrijfsvoering gezond kunnen houden.

De melkveehouders beschikken daarbij over een sterk machtsmiddel. Zij kunnen de grote zuivelcoöperaties de rug toekeren en onderdak zoeken bij een kleinere coöperatie. Daarvan is de afgelopen jaren een groot aantal opgekocht door de "grote drie' in de Nederlandse zuivelindustrie: Campina Melkunie, Friesland Frico Domo en Coberco. Maar het tiental dat nog over is, is tamelijk vitaal en boert verhoudingsgewijs beter dan de zuivelreuzen. Dat vertaalt zich in een hogere "boerenmelkprijs', die soms wel zes cent per kilogram ligt boven de prijs die de giganten uitbetalen.

Dat het hierbij niet om loze dreigementen gaat, bewijst de fusie tussen Campina en Melkunie Holland. De nieuwe combinatie, die in 1989 werd gevormd, verloor honderden boeren aan kaasfabrieken in met name Noord-Holland en kwam daardoor met een peperdure extra overcapaciteit te zitten, die bovenop de voorziene reorganisatie moet worden weggesaneerd. En uit eigen ervaring weet Friesland Frico Domo dit ook, want het concern moest na de fusie in 1990 tussen Noord Nederland en ccFriesland met hoge afkoopsommen aan de zogenoemde vrije coöperaties over de brug komen om de melktoevoer op peil te houden.

De hamvraag is natuurlijk hoeveel melk de overgebleven kleine coöperaties op kunnen nemen zonder hun hogere prijs in gevaar te brengen? Als specialisten in wei- en kaasprodukten stuiten zij vroeg op laat ook op de grenzen van hun produktiecapaciteit en vraag uit de markt. De forse investeringen die in Duitsland in kaasfabrieken worden gedaan wijzen erop dat ook zij zich moeten opmaken voor nog scherpere concurrentie op de Europese kaasmarkt.

Daar komt bij - melkkoeien staan immers niet alleen op stal - dat het Produktschap voor Zuivel, waarop de zuivelindustrie zelf een zwaar stempel drukt, uitgerekend gisteren bekendmaakte dat de minimumprijs voor comsumptiemelk per 6 juli met vier cent omhoog gaat. Zo geven de zuivelreuzen zichzelf iets meer financiële ruimte om hun boeren tevreden te houden in afwachting van gunstiger gesternte voor verdergaande schaalvergroting.