Lief zijn voor elkaar; Drie essays over het toneel van Gerardjan Rijnders

De Roes en de Rede. Nico van Rossen e.a. Parade-reeks. Uitg. Nederlands-Vlaams Instituut voor de Podiumkunsten/International Theatre & Film Books. 103 blz. Prijs ƒ 24,50.

"Een sfinx zonder geheimen en een slet', noemt de begin vorig jaar overleden toneelcriticus Jac Heijer de regisseur Gerardjan Rijnders. Van de drie essays in De Roes en de Rede, een kleine, aan Rijnders gewijde bundel, is de bijdrage van Heijer niet alleen wegens die kwalificatie het levendigste. Doordat Heijer de anekdote niet schuwt en aandacht heeft voor het ogenschijnlijk onbelangrijke detail, analyseert hij spelenderwijs en zonder zwaarwichtigheid. Daarbij heeft de manier waarop het stuk tot stand is gekomen - via het gesproken woord - de levendigheid waarschijnlijk nog verhoogd. "Zonder geheimen' is een door de redactie van het boekje geschreven neerslag van een serie gesprekken die Max Arian met Heijer voerde. De geïnterviewde was, op het moment dat hij zijn herinneringen prijs gaf, al te ziek om zelf de pen nog ter hand te nemen.

Volgens Heijer is Rijnders "als regisseur een kunstenaar'. Dat klinkt banaler dan het is, want volgens de definitie van Heijer is een regisseur "iemand met een originele kijk op een stuk, hij heeft een stuk opgegeten en geheel op zijn manier verteerd voordat het weer naar buiten komt'. Veel regisseurs gaan uit van de traditie en zij beantwoorden niet aan de definitie, laat staan dat zij kunstenaars zouden zijn. Behalve kunstenaar is Rijnders in Heijers ogen ook een "typisch Nederlandse' regisseur. In Duitsland heeft men volgens hem de neiging "het persoonlijke tot mythische en metafysische proporties op te blazen', terwijl het toneel in ons land juist tracht te "ontmythologiseren': “Iets groots wordt klein gemaakt, dichter bij de gewone werkelijkheid gebracht.” En ook Rijnders benadrukt niet "de geschiedenis' maar "het persoonlijke conflict tussen individuen'.

Dat neemt niet weg dat Rijnders volgens Heijer een van de weinigen is die nog "echt' politiek toneel maken. In zijn Medea weerklonk de echo van de argumenten van de toenmalige staatsecretaris van Justitie, mevrouw Haars: “Je bent een vreemdeling, je gaat eruit want je hoort hier niet”. En in Hamlet werd Claudius geportretteerd als "een CDA-politicus die kool en geit probeert te sparen'. Dat Heijer Rijnders een slet noemt, heeft te maken met diens gewoonte "voortdurend zijn omgeving (te plunderen) op zoek naar materiaal'. En hij is een sfinx zonder geheimen, omdat de verpakking van zijn boodschap meer suggereert dan de boodschap behelst. Want die is simpel: “Lief en aardig zijn en veel voor elkaar over hebben.”

Met de stilering van het banale moet de conclusie van Nico van Rossen in zijn essay De Roes en de Rede samenhangen. Na uitvoerige en enigszins droge beschrijvingen van Rijnders' werk, waarbij hij de nadruk legt op dat van de jaren tachtig, stelt Van Rossen dat "het medium (-) in feite de boodschap (is) geworden'. Vanaf de door hemzelf geschreven stukken Schreber (1976) en Dollie of Avocado's bij de lunch (1977) via de regies van Shakespeares Troilus en Cressida en Komrijs De Redders tot de montagestukken Bakeliet en Ballet drijft Rijnders volgens van Rossen steeds verder af van het psychologisch realisme.

Van Rossen schetst die ontwikkeling aan de hand van de voortdurend in een of andere gedaante in Rijnders' werk opduikende figuur Orpheus. Jammerlijk verscheurd door de Mainaden wordt Orpheus, de muziek, de kunst, het slachtoffer van driften, van de roes die de rede overheerst. In zijn ensceneringen toont Rijnders de hel die dan ontstaat - door helse ensceneringen. Constante in Rijnders' ontwikkeling is volgens Van Rossen alleen "de afwezigheid van een moraliserende boodschap'. Dat het "op nuchtere wijze laten zien hoe het in zijn visie met de wereld gesteld is' juist de moraliserende kant van Rijnders is, concludeert Van Rossen jammer genoeg niet.

Juist op de rol van psychologie (in samenhang met de politiek en de onmogelijkheid van communicatie) in Rijnders' oeuvre legt Ron Kaal de nadruk. In de zelfgeschreven komedies maar ook in de montagestukken zijn steevast metaforen van "een verstoord Oedipus-complex" aan te wijzen. De protagonist wil niet, zoals gebruikelijk, zijn vader vermoorden omdat hij zijn moeder begeert, maar hij ziet zijn moeder als een bedreiging voor de relatie met zijn vader. Bakeliet, waarin deze thematiek het sterkst tot uitdrukking komt, wordt door Kaal zelfs een "homoseksuele Oedipus' genoemd. Dat is misschien een wat al te Freudiaanse duiding maar Kaals goed geschreven observaties zijn wel prikkelend.