Jaloers

Na de bruiloft ging de buikspreker naar zijn hotel. Hij had met zijn vaste pop Charlie in een rommelig zaaltje van een café gespeeld. Vooral hun denderende ruzie was weer een groot succes geweest. Charlie was dit keer zo brutaal dat hij het bijna van zijn meester had gewonnen. De pop vloekte en tierde en werd pas stil toen de buikspreker hem met een hand de mond snoerde. Zelfs de bruid en de bruidegom hadden hard geklapt.

De artiest liep met de zwijgende Charlie in zijn tas door de stille straten van een kleine stad. Het was te laat om de trein naar huis te nemen. Daarom had hij een kamer in een goedkoop hotel genomen. Dat kon er nog wel af. Ze hadden hem niet slecht betaald.

Op zijn kamer vond hij in de la van een kast een overhemd. Het was niet nieuw, maar wel keurig opgevouwen. Iemand had het zeker laten liggen.

De buikspreker dacht na. Hij kon het overhemd morgen aan het kamermeisje geven. Of was er nog iets anders mee te doen? Hij haalde Charlie uit de tas en zette hem recht op het hoofdkussen. De pop hield niet van het donker. Dat had hij heel vaak gezegd.

Het overhemd was snel open gevouwen. Wat zag het er met al die vouwen en lijnen mooi uit. De buikspreker liet het op een knie zitten.

Even was het stil. Toen begon het overhemd met een lichte stem te spreken. Over zijn vorige eigenaar, over zijn blijdschap als hij schoon was en over zijn verdriet als hij te lang werd gedragen. Sierlijk bewoog hij heen en weer. Nu er eindelijk iemand naar hem luisterde vertelde hij zijn hele leven.

De buikspreker dacht al aan een volle zaal. Dit zou iedereeen willen zien en horen.

"Rot overhemd', riep Charlie