Hoog spel in het Fridericianum; Hoera voor Jan Hoets Documenta

Volgens Jan Hoet, samensteller van de negende Documenta, is de tijd van de Grote Helden in de hedendaagse kunst voorbij. Op de spannende en intieme tentoonstelling die hij in Kassel maakte, worden geen Grote Veranderingen aangekondigd of patserige effecten nagestreefd. Het gaat in eerste plaats om de kunstwerken en niet om de tentoonstellingsmaker en diens totalitaire ideeën. Janneke Wesseling bezocht tienduizend vierkante meter kunst. “Een voorgeschreven route is er gelukkig niet; de bezoeker wordt volledig aan zichzelf overgelaten.”

Documenta IX, Kassel. Tot 20 september. Geopend dagelijks (ook 's maandags) van 10u30 tot 19u30. Driedelige catalogus, 920 blz., 1000 afbeeldingen waarvan 500 in kleur, ƒ 120,65. Geïllustreerde gids, met plattegronden en biografieën, ƒ 26,80.

Het Fridericianum in Kassel werd in de achttiende eeuw gebouwd als bibliotheek en natuurhistorisch museum, in een fraaie classicistische stijl met een strenge opeenvolging van rondbogige en rechthoekige vensters in twee rijen boven elkaar. Een groot fronton over twee verdiepingen, gesteund door zes Ionische zuilen, met trappen ervoor, markeert het midden van de lange gevel. Het Fridericianum is in de Tweede Wereldoorlog grotendeels verwoest. In de jaren vijftig besloot men tot restauratie van de gevel, maar het interieur werd alleen in ruwe vorm herbouwd.

Dit gebouw inspireerde Arnold Bode (1900-1977), schilder en academiedocent in Kassel, tot de "Documenta', een grootschalige tentoonstelling van moderne kunst. Hij vatte de statige, hiërarchische gevel op als symbool van de kunsthistorische traditie, een traditie waarmee de jongere Duitse kunstenaars het contact hadden verloren. Het onvoltooide interieur bood tal van mogelijkheden bij het inrichten van de expositie. Bode maakte zijn Documenta in 1955.

De tentoonstelling bestond uit een historisch gedeelte met 670 kunstwerken uit de eerste helft van de eeuw, om in de eerste plaats de jongere generatie kennis te laten maken met de avantgardistische kunst die in Nazi-Duitsland verboden was geweest, en een gedeelte met werken van 148 naoorlogse schilders en beeldhouwers. Hij hoopte dat de Documenta bij zou dragen aan het doorbreken van het isolement waarin de eigentijdse Duitse kunst zich bevond. "Het museum voor honderd dagen', zoals Bode het noemde, dat als eenmalige gebeurtenis was bedoeld, was met 130.000 bezoekers zo'n groot succes, dat de stad Kassel besloot het evenement te herhalen.

Het Fridericianum is altijd het hart van de Documenta gebleven. Ook nu weer, bij de negende keer. Wegens een verscherpte controle is er, bovenaan het bordes, maar één deur open, die tegelijkertijd als in- en uitgang dient. Nauwelijks is men door deze entree heen of de expositie barst in alle hevigheid los. Luid weerklinkt een eentonig gezang, een jammerklacht die wel wat wegheeft van gregoriaanse muziek, maar dan zonder hoop. Over de muren en het plafond van de hal krioelen ontelbare mieren in een geometrisch patroon. De Oostenrijker Peter Kogler (32) bedacht dit mierenvisioen als aanvulling op een video-installatie van Bruce Nauman (51): in een lage ruimte die in de hal is afgebakend draait op een aantal tegen over elkaar opgestelde monitoren een kaal mannehoofd rond en rond, zonder stoppen. Hier komt het weeklagen vandaan. De man zingt steeds dezelfde tekst: "Help me, hurt me, Sociology' en "Feed me, eat me, Anthropology' - een angstige bezwering, een vergeefse smeekbede aan de god van de wetenschap. Naumans werk van de afgelopen tien jaar is beladen en vol heftige emoties die soms ontaarden in een al te zware pathetiek. Maar hier heeft hij zijn pessimistische visie op het menszijn op indrukwekkende wijze vormgegeven.

Oerlandschap

Wie uit dit voorgeborchte links de volgende zaal inkijkt vangt een glimp op van een somber oerlandschap van de Deen Per Kirkeby (54). En rechts zijn recente schilderijen te zien van de twee maanden geleden op 83-jarige leeftijd overleden Francis Bacon. Het zijn vreselijke beelden van vormloze fragmenten van lichamen gecombineerd met portretten, zonder één geheel te vormen, als een bewustzijn dat met het lichaam niets te maken wil hebben maar er toch onontkoombaar en fataal mee verbonden is.

Met een dergelijke barokke en dramatische ouverture speel je hoog spel. Maar dit is dan ook de Documenta van de Belgische museumdirecteur-zonder-museum Jan Hoet (hij huist nog steeds in een vleugel van het Museum van Schone Kunsten in Gent), de gedreven voorvechter van de hedendaagse kunst. Hij werd bijgestaan door Bart DeBaere, Pier Luigi Tazzi en Denys Zacharopoulos. De gegevens van de tentoonstelling zijn bekend: er doen 190 kunstenaars uit dertig landen aan mee (het grootste aantal is afkomstig uit Amerika, 48; uit Duitsland komen 27 deelnemers, uit België 12, uit Nederland 4), de kosten bedroegen 16 miljoen DM, en de totale tentoonstellingsoppervlakte is bijna tienduizend vierkante meter, verspreid over acht plaatsen. In omvang en budget is het de grootste Documenta tot nu toe.

Sinds hij drie jaar geleden als artistiek leider aantrad, heeft Hoet niets anders gedaan dan verwarring zaaien over zijn Kassel-plannen. Hij deed, ook op speciale "persmarathons', uitsluitend wazige uitspraken - de tentoonstelling zou gaan over "essentie en extase', het zou een "feest der zinnen worden', een "discussie in beelden' - namen wilde hij niet noemen, en een concept, zo herhaalde hij keer op keer, had hij niet. Zo groeide de algemene overtuiging dat Hoet niet wist wat hij aan het doen was. Er waren weliswaar berichten dat hij onafgebroken persóónlijk ateliers en galeries aan het bezoeken was, en dat hij zich door niets of niemand - musea, galeries - iets aan liet praten. Maar langzamerhand stond het vast dat dit wel de meest chaotische en ondoordachte Documenta aller tijden moest worden. De man had de zaak eenvoudigweg niet in de hand.

En wat gebeurt er? Juist op het moment dat je denkt dat dit wel het einde van de Documenta in zal luiden, en dat het nu maar eens afgelopen moet zijn met alle mammoet-evenementen, maakt Hoet een mooie, spannende tentoonstelling. Vol van innerlijke tegenspraak, en van een wisselend niveau, dat wel, maar het is eindelijk weer eens een expositie waarbij het in eerste plaats gaat om de kunstwerken en niet om de tentoonstellingsmaker en diens totalitaire ideeën. Hier wordt geen poging ondernomen om geschiedenis te schrijven (voorbeelden: Von Hier Aus in Düsseldorf; Zeitgeist en Metropolis in Berlijn), en evenmin worden patserige effecten nagestreefd (Bilderstreit in Keulen). Zwaarwichtige theorieën komen er niet aan te pas, er worden geen Grote Veranderingen aangekondigd, zoals de Terugkeer van de Schilderkunst (Documenta 7 van Rudi Fuchs, 1982), en er ligt geen ideologie aan ten grondslag (Documenta 8 van Manfred Schneckenburger: het kunstwerk moest getuigen van een maatschappelijke betrokkenheid). Hoets tentoonstelling schrijft niets voor.

Bijna overal (er zijn enkele uitzonderingen) is in de wijze van presenteren voelbaar dat hij betrokken is bij de kunst die hij gekozen heeft. Het is een tentoonstelling met een menselijk gezicht. De opzet is intiem, waarbij de exposanten een afgebakende ruimte of een wand voor zich alleen hebben. In het Fridericianum heeft de Belg Paul Robbrecht de tentoonstellingsarchitectuur hierop toegespitst met tal van kleine kabinetten en zaaltjes. Overdonderende installaties en environments met veel electronica, waar de vorige Documenta bol van stond, zijn er niet (de installatie van Nauman is het overdonderendst), en ook heeft Hoet de beelden buiten, "op locatie', tot een minimum weten te beperken.

Eieren

Er is het een en ander af te dingen op het werk van een aantal exposanten. Om een in het oog springend voorbeeld te noemen: na het klinkende begin van Nauman volgt direct, in de halfronde zaal erachter, een anti-climax met de "Heilige Nacht van de Maagdelijkheid' van Michael Buthe. Natuurlijk, de kaarsjes, eieren en al het protserige goud zijn ironisch bedoeld, een aanval op "de goede smaak'; meer dan dat is het ook niet.

Een wisselend niveau is waarschijnlijk bij een tentoonstelling van deze omvang onvermijdelijk, te meer daar er veel plaats is gegeven aan jonge, onbekende kunstenaars. Volgens Hoet is de tijd van de Grote Helden - waarvan Beuys in zijn ogen de laatste was - voorbij. Ook gaat het niet meer om "het bezweren van grote, abstracte visioenen (zoals van minimal art en conceptuele kunst, JW), maar om de scherpe blik op onze omgeving, om een nieuwe concrete relatie tot de objectwereld'. Dit betekent onder meer dat kunstenaars als Judd, LeWitt, Ryman niet vertegenwoordigd zijn. Maar evenmin treft men schilderijen aan van Baselitz of Lüpertz (Penck wél, met tekeningen). De meest gearriveerde exposanten zijn, naast Bacon en Nauman, Ellsworth Kelly, Richard Artschwager, Joseph Kosuth, Gerhard Richter, Mario Merz, Brice Marden en Luciano Fabro, allen met zeer recent werk; en, verrassend, een beroemdheid uit de jaren zestig, de Franse nouveau réaliste Martial Raysse met een schilderij uit 1990.

Zo omschrijft Hoet de kunst op zijn Documenta: "Kunst die verandert, corrigeert, twijfel wekt. Kunst die met de aarde in verbinding is, die het kwade in zich opneemt, in het vuil grijpt, de dood in de ogen ziet. Kunst die niet meer roept om een veranderd, metafysisch bewustzijn, maar vraagt naar de voorwaarden van ons aards bestaan, en daarmee een nieuwe visie oproept.' Hij zocht intuïtief naar kunstenaars die "zich verzetten tegen het verlies van het lichaam in onze maatschappij', zoals volgens hem blijkt uit de invloed van de electronica op ons ervaren van de werkelijkheid, en de onverschiligheid jegens de groeiende armoede in de Derde Wereld.

Hij had zich de structuur van de tentoonstelling als metafoor van het menselijk lichaam, een antropomorfe plattegrond, voorgesteld. De sociologische reflexen (de ledematen) en het menselijk handelen in Het Fridericianum, het vermogen tot taal in de Neue Galerie, "de stroom van het leven' in de Documenta-Halle, enzovoort. Dit is typisch zo'n Hoet-gedachte waar de bezoeker weinig aan heeft en die ook niet terug te vinden is in de tentoonstelling. Misschien dient het vrij grote aantal erotisch getinte (vaak zeer onerotische) kunstwerken, van het surrealistische O Charley, Charley, Charley van Charles Ray (38) tot de foto's van vagina's van de feministische Zoe Leonard (31) ter illustratie van dit lichaamsidee. Maar dit zijn geen hoogtepunten van de expositie.

Allure

Wel zijn er duidelijke verschillen, van aard en van sfeer, tussen de onderdelen van de expositie. Het Ottoneum, een achttiende-eeuws theater dat nu functioneert als natuurhistorisch museum, staat in het teken van stille, meditatieve kunst. Hier is een zaal mooi ingericht met de "tactiele' sculpturen en schilderijen van Ettore Spalletti (52), asymmetrische vlakken die van de muur afkomen en een zuilachtig beeld dat lijkt te zweven, in de van hem bekende zachte, stralende, atmosferische kleuren. Bijzonder is het schilderij van Martial Raysse, St. Joris en de Draak waarmee Raysse een oud thema opnieuw interpreteert en de grenzen tussen goed en kwaad doet vervagen. Nog steeds, net als in de jaren zestig, componeert Raysse zijn beeld met elementen uit de banale werkelijkheid, die hij een nieuwe inhoud en een nieuwe allure weet te geven.

Uit het werk van de jonge Russin Maria Serebriakova (27) spreekt een gevoel van benauwenis en isolement. Zij plaatste stoelen bij een tafel die opgevuld zijn met witte "pilaren' en geen ruimte laten voor het lichaam. Minder overtuigend en zeer gedateerd zijn de monochrome materie-schilderijen van Jürgen Meyer (47). Ook de zwavel-objecten van Ingeborg Lüscher (55), die onlangs een expositie had in het Haags Gemeentemuseum, zijn niet overtuigend.

Het tegendeel van het Ottoneum is de lawaaierige tentoonstelling in de Neue Documenta-Halle. Met het impotente piepen, zagen en fluiten van het hoog aan het plafond bevestigde beeld van Gilberto Zorio en het torenhoge fallusbeeld van Ulf Rollof (31) dat zich bij tijd en wijle in de lucht verheft is de eerste indruk die van een laboratorium waar experimenten met een mechanische wijze van voortplanten worden uitgevoerd. De Halle is gebouwd omdat de Orangerie, die gerestaureerd wordt en in de toekomst zal functioneren als natuurhistorisch en sterrekundig museum, niet meer voor de Documenta beschikbaar is. Twee architecten uit Frankfurt, Jochem Jourdan en Bernhard Müller, bouwden een glazen constructie die in een lichte curve de Friedrichsplatz afscheidt van het stadspark. Het gebouw is mooi opgenomen in het landschap dat naar de rivier afloopt. Er ligt een basiliek-idee aan ten grondslag, met een hoog middenschip en lichtbeuken. Het is alleen de vraag of de Halle nu zo geschikt is voor het exposeren van beeldende kunst. Het licht is zo fel en overdadig dat een zonnebril niet overbodig is. Ook is er vrij weinig wandruimte, met als compensatie één heel hoge, lange wand.

Aan deze wand bevindt zich de grote misser van de Documenta, een werk van Mario Merz. Merz plaatste hier een rij van zijn takkenbossen met, alweer, in neon de cijferreeks van Fibonacci. Erboven hangen bonte verfsels op vellen papier. Merz' "eenheid van natuur en intellect' heeft zichzelf overleefd is de enige conclusie die men uit dit werk kan trekken.

Daarentegen zijn de vliegfantasieën van de Belg Panamarenko nog wel levensvatbaar. Hij vervaardigde ditmaal een klein, compact mobiel van onder meer piepschuim dat een hoogte van 7000 meter moet kunnen bereiken: K2, 7000 m High Flying Jungle and Mountain Machine. Een kleine foto toont de kunstenaar vliegend tussen lianen en orchideeën. Helden mogen er dan niet meer zijn, Pananamarenko behoort tot de groten van de hedendaagse kunst.

In één van de kleine kabinetten exposeert Marlene Dumas haar tekeningen, waaronder een mooie serie expressieve portretten van de Documenta-leider, met een ernstige en bezielde uitdrukking in de donkeromrande ogen. Voor de gevel van de Halle plaatste Marina Abramovic haar Inner Sky for Departure, een reeks brokken amethyst op driepoten. Wanneer je hier bewegingloos onder staat, met de ogen gesloten, belooft de kunstenares een "reis naar de oneindigheid'. Dezelfde functie hebben de klompen van amethyst die klaar staan voor gebruik in de Orangerie (in de enige zaal die wél beschikbaar was). Eerlijk gezegd vind ik deze objecten hyperromantische flauwekul.

Sarcofaag

In de Neue Galerie zijn die exposanten te vinden die zich willen "auseinandersetzen' met het "verschijnsel' museum en met andere kunst, in dit geval de collectie van de Neue Galerie die zich uitstrekt van Biedermeier-schilderijen van Johann Friedrich August Tischbein tot Beuys. De sarcofaag die Gerhard Merz midden in de hal plaatste is prachtig en brengt de dynamiek in de architectuur teweeg, de filosofische installatie van Joseph Kosuth is even pedant als altijd maar heeft tenminste een duidelijk eigen plek, maar verder is de Documenta hier verworden tot een spelletje dat lijkt op "Zoek de verschillen'. Overal zitten werkjes verstopt tussen de vaste verzameling op een manier die niets verduidelijkt. De Neue Galerie is de minst geslaagde afdeling van de Documenta. Ook de Nederlandse Irene Fortuyn leverde hier met een serre-façade buiten op het gras, zichtbaar vanaf een stenen bank die voor dit doel binnen is geplaatst, niet haar beste werk.

Terug naar het Fridericianum. Hier lééft de tentoonstelling, met al zijn ups en downs. Louise Bourgeois maakte een toverachtig boudoir, een boudoir voor een bohémienne. Verrassend mooi zijn de tegen de muur leunende beelden, een soort grafstenen, van de 29-jarige Engelse Rachel Whiteread. De Italiaanse Mariella Simoni (42) maakt schilderijen met ongegeneerd dikke lagen verf, een intrigerende mengeling van expressiviteit en formalisme. En in het trappenhuis weerklinkt een profetisch gemompel van Tony Oursler. Een voorgeschreven route is er gelukkig niet; de bezoeker wordt hier volledig aan zichzelf overgelaten.

Maar het mooist ingericht zijn de "Aue-paviljoens', tijdelijke paviljoens in de vorm van treinwagons, ontworpen door Paul Robbrechtt en Hilde Daem. Ze staan hoog op palen in de vallei de Karlsaue, zodat er van binnenuit een prachtig uitzicht is op de glooiende hellingen. De constructie is simpel, van hout, ijzeren T-balken en metalen platen. Zigzaggend voert de route over vlonders van de ene "wagon' naar de andere. De glanzende monochromen van de Zwitser Adrian Schiess (32) weerspiegelen, op de vloer liggend, de blauwe wolkenlucht. De ruimte van Gerhard Richter, vol van een sombere plechtigheid die getuigt van zijn preoccupatie met de dood, is een van de hoogtepunten van de Documenta. Ook de overgangen van de ene mini-zaal naar de andere zijn boeiend, zoals van het perspex frame, een metafysisch venster, van Isa Genzken (44), naar de schrale, maar geconcentreerde schilderijtjes van Antwerpenaar Luc Tuymans (33). Hoet vermeldde trots dat er voor het eerst kunstenaars uit de Derde Wereld meedoen. Maar de schilderijen van de Indiër Bhupen Khakhar (62), dromerige exotische visioenen, zijn teleurstellend, net zoals de schilderkunst vol primitivistische clichés van de Australiër Tim Johnson (45). De Documenta blijft vooralsnog een tentoonstelling van westerse kunst.