Column

Hoekje

Een hoekje van de wereld. Singapore. Dertig KLM-stewardessen en wat opgeschoten piloten in een anonieme hotelkamer. Het is twee uur 's-nachts. Gelukkig niet te veel oranje. De kamer is te klein en de tafels moeten eraan geloven. Naar de gang.

“Het zijn wel vier crews door elkaar”, legt iemand uit en ik denk aan die ene Japanner met dat beslissende zakengesprek die morgenochtend om acht uur op moet. Hij heeft toevallig de kamer hieronder gehuurd en ligt zich nu af te vragen wat er boven hem gebeurt. Dan moet er nog gescoord worden. Iedereen zoekt zijn plek, de airconditioning gaat op 100, de receptie belt of het rustig kan. Dat kan niet. Afgelopen dinsdag in het vliegtuig werden wij welkom geheten door purser Stukje. (“Mijn naam is Stukje en ik ben uw purser”). Later vroeg ik haar of dit haar voornaam was. Nee. Het contact was gelegd en zij nodigde mij uit voor de wedstrijd. Nu is Singapore zo klein dat je elkaar vier keer per dag tegenkomt en telkens riepen de mooiste meiden: “tot donderdag”. En nu zit ik op de 32ste verdieping van het Mandarin Hotel aan de bekende Orchard Road, geperst in de crewroom van de KLM en kijken we naar Nederland-Duitsland. Vier minuten gaat het goed, dan staat de Duitse keeper te ver voor zijn goal en breekt de hel in het kamertje los. Als Indianen huilen de stewardessen door de kamer en ik probeer ze me weer voor te stellen in die tuttige blauwe pakjes met die koffiekar in het gangpad van de 747. Dat lukt even niet. Het doelpunt wordt heerlijk vaak herhaald. Elf minuten later is de chaos compleet, drie onthutste Lufthansa-gasten staren glazig naar de uitzinnige kluwen meiden met een enkele purser of steward ertussen. Wat een poeier van die Witschge. Ik denk aan die Japanse zakenman, maar ook aan al die anderen in dit hotel. Deze kamer krijg je met geen peloton ME meer stil. In een ooghoek zie ik dat de hoorn van het toestel ligt. Dat lijkt me in dit geval het beste. Alles schreeuwt zich door de rust, omdat het hier nacht is heeft iedereen uberhaupt al wat gedronken, ik zie de Duitse co-piloot in heftige discussie met een Nederlandse collega. Het gaat niet over het werk. De Duitser had mij die avond ervoor in een cafe al toevertrouwd dat we nog nooit van hen gewonnen hadden.

“En in '88 dan”?, vroeg ik. Dat was hij vergeten. Jullie zijn wel meer jaren vergeten, dacht ik en vond de grap te makkelijk om hem ook werkelijk te maken. Klinsmann gooit de spanning terug en het wordt beduidend stiller. We kijken zowaar weer naar de wedstrijd, het bier raakt op en ik zie een sprankje hoop bij de Lufthansa. Naast me begint een dame Duits te kakelen en mij de kansen uit te leggen. Volgens mij heeft ze me bij twee Nederlandse doelpunten omhelsd en gekust. Is zij een foute Duitser of juist een goede? Ze heeft een bril. Het eindsignaal wordt niet gehoord. De hele kamer danst zonder muziek. De laatste restjes drank worden broederlijk verdeeld. De chaos is compleet en de orgie kan beginnen. De Duitsers blijven aardig en feesten zuur mee. De drank is tot de laatste druppel op. De Duitser van het cafe komt nog even terug op ons gesprek en herhaalt zichzelf vaak. Opeens maakt hij een plastic tas open en haalt er een ijskoud blikje bier uit. In de tas zitten er nog vier. Die zijn gauw verdeeld en uiteraard onder gejoel. Dus hij had een eigen voorraadje opgebouwd. Al mijn vooroordelen worden bevestigd en ik vrees dan ook een finale tegen dezelfde tegenstander. Een tegenstander met een voorraadje. Om zes uur doe ik mijn reputatie alle eer aan en verlaat als laatste de crewroom. Zelden zo'n puinhoop gezien. Ik leg de hoorn op de telefoon. De KLM is weer te bereiken.