Glimlachende farao's en opgepompte dwergen; Zomertentoonstellingen in Wenen

In 1992 valt er niemand van Mozarts grootte te herdenken en het zomeraanbod van de Weense musea is dan ook veel afwisselender dan een jaar geleden. André Spoor zag vijf exposities: van Egyptische beelden, de vergeten schilder Romako, de "gek' en "wildeman' Oskar Kokoschka, de dikke-dwergenschilder Botero en de karikaturentekenaar Flora. “De mens is geen held bij Flora. Hij is vaak een kleine krabbel in een landschap van gebouwen of bomen.”

Tentoonstellingen:

"Gott-Mensch-Pharao. Viertausend Jahre Menschenbild in der Skulptur des alten Ägypten'. In het Künstlerhaus tot 4 oktober.

"Der Aussenseiter Anton Romako, 1832-1889, ein Maler der Wiener Ringstrassenzeit'. In Oberes Belvedere tot 12 juli.

"Kokoschka, Frühe Arbeiten 1906-1916'. In Oskar Kokoschka-Dokumentation Pöchlarn tot 20 september.

"Botero. Zeichnungen. Bilder. Skulpturen'. In KunstHausWien tot 9 augustus.

"Paul Flora. Zeichnungen 1939 bis 1992'. In Historisches Museum der Stadt Wien tot 30 augustus.

Vorig jaar werd de tweehonderdste sterfdag van het kleine genie uit Salzburg, Wolfgang Amadeus Mozart, herdacht. Wenen, waar Mozart de laatste tien jaar van zijn leven woonde, stond daarbij vooraan. Mozarts naam lag op vele geleerde lippen, zijn muziek klonk in ieders oren, zijn leven en werken werden in musea en bibliotheken gepresenteerd in een serie tentoonstellingen.

In 1992 valt er niemand van Mozarts grootte te herdenken en het zomeraanbod van de Weense musea is dan ook veel afwisselender dan een jaar geleden. Waar toen in een nogal omstreden kruip-door-sluip-door-presentatie de belangrijkste Mozarttentoonstelling te zien was, in het Künstlerhaus aan de Karlsplatz, is nu een schitterende expositie te bewonderen "Gott-Mensch-Pharao, Viertausend Jahre Menschenbild in der Skulptur des alten Ägypten'. Het is de meesterproef van de nieuwe directeur van het Weense Kunsthistorische Museum, de Egyptoloog Wilfried Seipel.

Het gebodene is minder spectaculair dan wat de grote internationale reistentoonstellingen "Achnaton-Nofretete' en "Toetanchamon' jaren geleden hebben gepresenteerd, maar wat hier te zien is, heeft in zijn beperking een grote intensiteit, die verhoogd wordt doordat spotlichten in schemerdonkere zalen de sculpturen, groot en klein, naar voren halen. Wat Egypte, dit "geschenk van de Nijl', zoals Herodotus het als eerste noemde, aan de mediterrane en daarmee Europese culturen heeft bijgedragen wordt in deze 4.000 jaar omspannende expositie weer eens duidelijk.

Van de 210 objecten die in het Künstlerhaus staan opgesteld zijn er zestig koningsportretten. Mykerinos, Chefren, Toetmoses, Amenhotep III, Amenhotep IV (Achnaton), Ramses II, de grote koningen zijn allemaal vertegenwoordigd. Hierdoor kan men ook de ontwikkeling volgen die het beeld van de koning doormaakt. In het Oude Rijk, de laatste zeven eeuwen van het derde millennium vóór onze jaartelling, is de goddelijke koning vooral opperpriester, uitvoerder van de riten, die steeds verwijzen naar het onveranderlijke in de cyclische herhaling van geboorte, bloei en dood. In het Middenrijk, in de eerste eeuwen van het tweede millennium, komt de absolutistische heerser naar voren.

Hoewel het natuurlijk vaststaat dat de Egyptische kunstenaars de koningsbeelden niet maakten met het doel portretten af te leveren van levende individuen, maar meer, als bij ikonen, "archetypen van de onvergankelijke wereld' zichtbaar wilden maken, "hemelse oerbeelden', zoals Seipel in een van zijn inleidende artikelen in de prachtige catalogus schrijft, is er in deze duizenden jaren oude koppen toch vaak veel individueels, veel onverwisselbaar menselijks te genieten. Een aantal Egyptische kunstenaars heeft zich kennelijk niet laten beperken door de strikte regels van de beeldhouwcode en is zich toch aan portretkunst te buiten gegaan.

Dit geldt niet alleen voor sommige koningsbeelden, maar ook voor sculpturen van profane figuren: van ambtenaren, bedienden, etc. Al vanaf de vierde dynastie (ongeveer van 2572 tot 2465 voor Christus) zijn beelden gevonden van bierbrouwers, pottenbakkers, slagers, bakkers en muzikanten. In de eerste tijd van kalksteen, later van hout. Net als de koningen worden deze meer eenvoudige stervelingen vaak zittend of staand uitgebeeld. Vooral de staande figuren, bijna altijd met hun linkerbeen iets vooruit en met een merkwaardige draaiing in de linkerschouder, zijn levendig en interessant.

Toen de Grieken de duizenden jaren oude cultuur van de Egyptenaren leerden kennen, waren zij verbluft dat de Egyptische beeldhouwkunst, die tientallen eeuwen aan de Griekse vooraf was gegaan, technisch even hoog ontwikkeld was als die van henzelf en zeker niet minder mooi. Nu, ruim 2000 jaar na de Grieken, is dat op deze tentoonstelling opnieuw te zien. Wie nog altijd mocht denken dat de kunst vooruitgaat en steeds meer schoonheid genereert kan van de oude Egptische kunst wijzer worden.

De ruim 200 beelden van de godheid als dier, van de heilige kat, van Osiris, van koningen en koninginnen, van hoge ambtenaren en priesters zijn zonder uitzondering duizenden jaren oud, maar hun esthetische werking is in 1992 in Europa niet verzwakt. De geheimzinnige glimlach om de lippen van de koningen na de achttiende dynastie, vooral in de Ramses-koppen, mag op een andere manier intrigeren dan in het Egypte van 3000 jaar geleden, hij fascineert ook nu nog met zijn boven de vergankelijkheid verheven superioriteit.

Belvedere

In Wenen is de Österreichische Galerie in het Belvedereslot vooral bekend als het museum waar oude schilderijen van Klimt en Schiele te zien zijn. Omdat er grootscheeps verbouwd wordt zijn de doeken van deze schilders op een andere verdieping te bewonderen dan waar zij normaal hangen.

Daarnaast is er toch nog plaats voor een aparte tentoonstelling van het werk van de "vergeten' Oostenrijkse schilder Anton Romako (1832-1889), dat een brug slaat tussen Biedermeiertijd en Sezession. In 1889 stierf de eens beroemde en succesvolle Romako straatarm in Wenen, maar kort daarna al werd hij als voorloper gezien door een vooraanstaand schilder als Carl Moll (die in 1905 een tentoonstelling van Romako's werk organiseerde) en door Oskar Kokoschka, die later zei grote invloed te hebben ondergaan van Romako's kleurgebruik. Ook bewonderde Kokoschka Romako als portretschilder. Een in 1885/86 geschilderd portret van gravin Maria Magda Kuefstein stelde hij zich zelfs ten voorbeeld.

Romako woonde en werkte van 1857 tot 1876 in Rome. Hij had daar vooral succes met genreschilderijen en doeken met een religieuze thematiek. De expositie in de Belvedere brengt van deze periode een heel aantal voorbeelden en het is vaak moeilijk er zonder gêne naar te kijken. Zij zijn meer dan eens zoetig en kitscherig en doen meer dan een kleine knieval voor de niet al te beste smaak van het Romeinse publiek in die jaren.

In 1876 ging Romako terug naar Wenen, kreeg er geen voet aan de grond omdat de stad in aanbidding lag voor Makart, die alle opdrachten voor grote portretten of historiestukken in de wacht sleepte. Van modeschilder in Rome was Romako ineens miskend kunstenaar in Wenen en dat deed zijn kunst eerder goed dan slecht. De interessantste doeken, de beste portretten schilderde hij in deze jaren, die hij ten dele ook in Genève en Parijs doorbracht. Met zijn impressionistische, vaak parodistische stijl vervreemdde hij alleen nog meer van de gevestigde kunstorde. In 1887 plegen zijn twee jongste dochters zelfmoord. Twee jaar later sterft hij in Wenen, verarmd en vergeten.

De tentoonstelling "Der Aussenseiter. Anton Romako, ein Maler der Wiener Ringstrassenzeit' is de eerste grote presentatie van Romako's oeuvre (120 doeken en aquarellen) in deze eeuw. Voor wie belangstelling heeft voor wat voorafging aan Sezession en Expressionisme is zij een interessante aanvulling op het kunsthistorische beeld van die periode. En ook de bewonderaar van Kokoschka zou het werk van Anton Romako moeten gaan zien.

Voor deze laatste heeft het plaatsje Pöchlarn an der Donau, een klein uur ten westen van Wenen, een verrassing te bieden. Op 1 maart 1886 werd Kokoschka in Pöchlarn geboren en daar op 25 maart in de Pfarrkirche als Oskar gedoopt. Zijn ouders woonden daar niet, maar zijn vader, goudsmid en handelsreiziger, had begin 1886 geen vast adres en daarom trok zijn moeder, afkomstig uit Hollenstein in Neder-Oostenrijk, naar haar broer in Pöchlarn om het kind te krijgen. Later, in 1886, vertrok de familie naar Wenen, waar Kokoschka opgroeide en studeerde.

Pöchlarn is trots op zijn Kokoschka en in 1951 werd hij ereburger van het weinig opwindende plaatsje. In 1973 werd er een documentatiecentrum over de schilder geopend in het achter zijn geboortehuis gelegen boerenhuis dat daartoe gerestaureerd en verbouwd werd. Sinds vorig jaar zijn er 's zomers ook kleine tentoonstellingen van Kokoschka's werk in de ruimte beneden. Boven, onder mooie hanebalken, toont het centrum foto's en memorabilia uit zijn collectie.

Hemelschokkend is het allemaal niet, maar omdat Pöchlarn vlakbij de grote weg van Linz naar Wenen ligt, loont een bezoekje voor de ware Kokoschka-fan zeker. Deze zomer is er een expositie van vroege tekeningen en grafiek 1906-1916, waarop naast de acht kleurenlitho's uit het aan Klimt opgedragen boek "Die träumenden Knaben' een paar van de eerste uitingen te zien zijn die Kokoschka toen de reputatie opleverden van "gek' en "wildeman', zoals tekeningen die zijn bloedige toneelstuk "Mörder Hoffnung der Frauen' illustreren.

Vlezig

In het KunstHausWien, de door Friedensreich Hundertwasser tot museum omgetoverde meubelfabriek van Thonet, zijn de eerste twee verdiepingen permanent gewijd aan het werk van de stichter. Op de bovenste twee etages van dit KunstHaus met volgens Hundertwassers organische principes golvende vloeren, mos op het dak en uit vensters stekende bomen, is ruimte voor wisselende exposities. Deze zomer is er het werk van Fernando Botero te zien, de 60-jarige in Columbia geboren anti-avantgardistische schilder, die zich zowel afstammeling voelt van de antikoloniale Latijns-Amerikaanse kunst van de Mexicanen Orozco en Siqueiros als van Giotto en Piero della Francesca.

Evelyn Waugh heeft eens gezegd dat in elke dikke man een dunne man verborgen zat die wanhopige pogingen deed te ontsnappen. Als dat waar is zitten op Botero's doeken heel wat mensen in het verborgene gevangen. Al zijn figuren zijn vlezig en dik. Zij zitten meestal gespannen in hun vel, kijken vaak scheel of loensen, lijken inderdaad gevangen in hun vette lichamelijkheid. Dat geldt ook voor de paarden, die zich op olifantsbenen moeten voortbewegen en voor sommige levenloze objecten in stillevens.

Botero, die een bewonderaar is van zijn tegenpool in vormtaal: Giacometti, heeft geen oogafwijking. Hij deformeert bewust en consequent en bouwt voort op Bernard Berensons visie op Giotto als de schilder die er op uit was een gevoel van tastbaarheid over te brengen, waardoor hij een voorkeur had voor breedgebouwde, massieve types. Botero, die wel met acrylverf werkt maar toch vooral olieverf en tempera gebruikt, is in deze massiviteit nog heel wat verder gegaan. Zijn vrouwen zijn vleesmassa's, zijn mannen opgepompte dwergen. Steeds hebben zij melancholieke vollemaansgezichten die de intense leegte van deze lichamelijke hulsels verkondigen.

Alle referenties aan grote namen uit de Europese kunstgeschiedenis nemen overigens niet weg dat Botero's werk primair thuishoort in de traditie van Latijns-Amerikaanse schilderkunst. De portretten en genretaferelen in de musea in Peru of in Havanna op Cuba staan dichter bij de wieg van dit curieuze, eigenzinnige en onvervalst provinciaalse oeuvre dan Giotto en Piero della Francesca.

Pas in de jaren zestig begon Botero ook buiten Zuid-Amerika waardering voor zijn doeken te oogsten. New York, in de totalitaire greep van het abstracte expressionisme, moest lange tijd niets van hem weten. In 1961 kocht het Museum of Modern Art weliswaar een eerste grote doek, maar pas in 1972 begon de Marlborough Gallery Botero's schilderijen, tekeningen en sculpturen met regelmatige tussenpozen te tonen. Musea in de hele wereld kochten daarna Botero's aan.

De grote, hard geschilderde doeken, die nu in het KunstHausWien hangen, mogen wat tegenvallen en de vergelijking met het werk van een andere anti-avantgardist die soms in verband met Botero wordt gebracht, Balthus, niet kunnen doorstaan, de tekeningen en sculpturen in brons verrassen meer dan eens. Zij zijn minder obligaat dan een aantal van de meest recente doeken, waarop gemaniëreerdheid de zeggingskracht heeft overwoekerd.

Pessimistisch

Botero deformeert de menselijke figuur uit esthetische overwegingen. Hij ziet zichzelf absoluut niet als karikaturist. Dat doet de nu 80-jarige in Glurns in Zuid-Tirol geboren en sinds 1945 in Innsbruck wonende Paul Flora wel. Veertien jaar lang (1957-1971) was hij de volstrekt onafhankelijke karikaturen-tekenaar van het Duitse weekblad Die Zeit. In zo'n veertig boeken legde hij zijn vertekeningen van de wereld om hem heen vast. Zij verschenen voor een groot deel bij Diogenes Verlag in Zürich, vaak met inleidingen van bewonderaars. Trauerflora (1958) bijvoorbeeld met een tekst van Friedrich Dürrenmatt, Menschen und andere Tiere met een voorwoord van Erich Kästner.

Het Historische Museum der Stadt Wien, ook aan de Karlsplatz, laat deze zomer een 231 van Flora's tekeningen zien. Het zijn grotendeels verrukkelijke bladen, waaruit Flora naar voren komt zoals hij zelf de humorist, satiricus, karikaturist eens beschreven heeft: "een pessimistische individualist, meestal ouderwets en met een romantisch gemoed'. Met een onmiskenbaar eigen handschrift tekent hij een wereld, waarin bange komedianten, Venetiaanse pestdokters, marionetten, de radeloze bezitter van een grote kogel, dichters bij wie de muzen wegvluchten door een woud van woorden en potsierlijke Tirolers hun onaanzienlijke rol spelen.

Want de mens is geen held bij Flora. Hij is vaak een kleine krabbel in een landschap van gebouwen of bomen. In de tekening "Winterabend, Föhn, Beethoven von weitem'' uit 1991 is Beethoven niet meer dan een stipje in het landschap en in "Bonaparte' uit 1987 is de keizer te paard slechts een klein silhouet boven op de heuvel.

Staat de mens in het centrum van Flora's tekeningen, dan is hij meestal door wonderlijke kostumering (in de tekeningen van het carnaval in Venetië) of uniformering (zoals in het prachtige blad "Als Venedig österreichisch war' van 1988) vermomd tot potsierlijkheid. Maar hoe grappig ook, opgewekt is Flora's houding tegenover de wereld niet. “Flora is niet zonder treurigheid. In zijn werk zijn werelden tenondergegaan en wij voelen intuïtief dat ook wij tenonder zullen gaan”, schreef Dürrenmatt over Flora.

Flora is niet vaak in Nederland geëxposeerd (voor zover ik weet alleen in het museum van Nijmegen in 1979). De tentoonstelling in Wenens Historisches Museum, is urenlang genot. Niemand die Wenen bezoekt zou er aan voorbij moeten gaan.