Een klein dichter en een groot geleerde; Biografie van de Groningse rechtshistoricus H.J. Scheltema

E.W.A. Henssen: Langs zelf gekozen paden. Het leven van H.J. Scheltema, N.E.M. Pareau & Mr. J. Jer. van Nes. Uitg. Querido, 272 blz. Prijs ƒ 49,90

In zijn bundel Spijbelen voert Carmiggelt een professor op die zich versliep toen een student tentamen bij hem kwam doen. Terwijl de student zat te hyperventileren van de zenuwen daalde de professor de trap af, in het schuldig besef geen geldig excuus te hebben. De kapstok bracht hem op een idee: hij zou net doen alsof hij van buiten kwam. Pijlsnel schoot hij hoed en jas aan en stormde zijn kamer binnen met de opmerking dat het hem ontzettend speet maar dat hij in de stad opgehouden was en dat de tram net voor zijn neus wegreed... De opvallende verbazing van de keurig in het zwart geklede jongeman deed hem stokken. “Is er iets?”, vroeg de professor. “Ja, ziet u, professor,” aarzelde de student, “u hebt mijn jas aan en mijn hoed op.”

Die professor was H.J. Scheltema, van 1945 tot 1977 hoogleraar te Groningen in het Romeins recht. Over hem doet een menigte van deze anekdoten de ronde. Wanneer studenten die tentamen bij hem kwamen doen bij het ophangen van hun jas een op de wankele kapstok geplaatste waardeloze vaas braken, dan waren zij het slachtoffer van boos opzet, dat kracht bijgezet kreeg door gejammer: “Ach, mijn antieke vaas uit de Ming-dynastie.” Schreef het mos voor dat studenten zich voor dergelijke tentamens in het jacquet hesen, een zomers geklede professor kon hen bij zijn deur terugsturen met de opdracht wat luchtigers aan te gaan trekken om bij de tweede maal de deur in rokkostuum open te doen.

Scheltema was niet alleen een Groningse grappenmaker. Nederland kent hem, onder het pseudoniem N.E.M. Pareau, als de dichter van een klein oeuvre oud-modisch ironische gedichten: “De kleine man, de kleine man/ bevindt zich achter op de tram. Het weer is fraai; de zonneschijn/ Verwarmt het H.W. Mesdagplein/ En doet het straatplaveisel blaken./ Geen crisis kan ons thans meer raken!/ Christien zit midden op een bank;/ Want zij is mank.” De wereld, hoe klein die wereld ook is, kent hem als de befaamde uitgever van de Basilica, de neerslag van bijna de gehele Byzantijnse rechtswetenschap en daarmee een van de belangrijkste bronnen uit de Byzantijnse beschaving. Van deze practical joker, deze kleine dichter en grote geleerde is nu een biografie geschreven, die het sympathieke en het boosaardige van de man goed tot zijn recht laat komen maar die het raadsel-Scheltema laat bestaan.

Het leven van Scheltema was niet dat van een veroveraar die bergen beklom en zeeën een naam gaf. Scheltema heeft geen god in de hemel de baard geschroeid, integendeel, hij ried dergelijke acties af. Hij prefereerde het dominospel in een Groningse kroeg. Daarom kan er nog wel een biografie van hem geschreven worden. De suggestie die van een biografie uitgaat, een van de redenen voor het succes van het genre, is de eenheid van een leven. Krom van de vraagtekens die wij voor onszelf zijn, kan er van de rechte lijnen en patronen van een ander leven een verbazend ontspannende werking uitgaan. Het leven van Scheltema vertoont een aantal aantrekkelijke raadsels. Waarom bijvoorbeeld legde de veelbelovende en met zeker enthousiasme begroete dichter zichzelf na een tijdje het zwijgen op teneinde het bestaan van een privaatgeleerde te gaan volgen? Waarom, als men Groningen er niet voor verantwoordelijk kan stellen, werd Scheltema de rechtshistoricus van zijn generatie? Scheltema wordt in deze biografie terecht met A.E. Housman vergeleken. “Deliberately he chose the dry-as-dust,” schreef Auden over Housman, “kept tears like dirty postcards in a drawer.” Why? Hoe aardig deze biografie ook is, op die vraag komt geen antwoord.

Ongewenst

Het leven van Scheltema is snel genoeg verteld. Als zijn biograaf gelijk heeft was Herman Jan Scheltema (1906-1981) een ongewenst kind uit een ongelukkig huwelijk. Noch over het ongewenst zijn van de zoon noch over de ellende van het huwelijk worden erg schrijnende voorbeelden aangedragen. De vader was hoogleraar medicijnen, ontdekker van de geitemelk-anemie en daardoor in Duitstalige landen bekend onder de naam der Ziege-Gabbe. De oude Scheltema had de pest aan religie en als een van de navrante jeugdervaringen van Herman Jan wordt verteld dat in plaats van de echte kerstboom, waarom hij gevraagd had, een houten doos met een metalen, uitklapbare kerstboom aangeschaft werd en dat het kerstfeest tien minuten duurde. Goed, de zoon hield er een zwak voor versierde kerstbomen aan over maar dat is een neurose die vaker voorkomt. Tegelijk ontleende hij er een levenslange voorliefde voor mechanisch speelgoed aan. Het aardige van Scheltema is overigens dat hij gemakkelijk psychologiseren over zijn karakter de pas afsneed. Toen een van zijn huishoudsters thuis kwam met werken van Freud en Jung, stuurde Scheltema het ondernemende mens terug naar de openbare bibliotheek met de opmerking: “Je wilt mij toch niet met behulp van die oplichters doorgronden?”

Scheltema mislukte als gymnasiast, slaagde evenwel als HBS'er met staatsexamen: als hoogleraar placht hij studenten voor aanvang van het tentamen te vragen: “Zijt gij burgerscholier?” Vervolgens mislukte hij als student klassieke talen om als jurist een van de grootste filologen van zijn tijd te worden. In het Corps bracht hij het tot abactis collegii, maar werkelijke lauweren oogstte hij als scribent voor studentenalmanak en corpsorgaan. Als student ook ontwikkelde hij, onder leiding van de dirigent van het studenten muziekgezelschap, Daniël Ruyneman, de in hem sluimerende, grote muzikaliteit.

Aan het eind van zijn studie begon hij de gedichten te schrijven waardoor hij beroemd werd. In die tijd richtte hij ook met zijn vriend A.J.P. Tammes de uitgeverij Ebenhaëzer op. Deze uitgeverij die meer mystificaties dan uitgaven produceerde en tegelijk ook nog een wonderlijk smaakvolle artotheek avant-la-lettre was, was het onderkomen van de eerste bundel van Scheltema's alter ego Pareau, Mengelingen. Daarin treft meteen de eigen toon van de dichter-schrijver, door zijn biograaf omschreven als “gevoelige verlakkerij in archaïserende stijl”. In 1967 zei Scheltema zelf tegen de Haagse Post: “Het schrijven van gedichten beschouwden we als speelsigheidjes. Protest was er niet bij. Zodra dichtkunst ernst wordt, wordt het vervelend. Van die mensen die zo eerlijk willen zijn. Ik ben heel ouderwets.”

Na korte tijd aan een Amsterdams advocatenkantoor verbonden te zijn geweest, vestigde Scheltema zich in 1931 wederom in Groningen als repetitor. In 1934 promoveerde hij op een uiterst middelmatig boekje over het Romeins procesrecht. Omstreeks die tijd moet hij ook gefascineerd geraakt zijn door de Basilica, de wetten van keizer, Basilius de Grote, en begon een levenslange slavernij, zoals Scheltema het zelf ooit omschreef. De rest is bijwerk, een privaatdocentschap in Amsterdam, een Gronings professoraat na de oorlog. In 1942 werd Scheltema, die zijn afkeer van collaborateurs niet onder stoelen of banken stak, gedwongen onder te duiken. De rest van de oorlog bracht hij met de Basilica door. In de herfst van 1981 werden de laatste drie delen van dit enorme werk in manuscript in een schoenendoos aan Scheltema aangeboden. Twee weken later stierf hij.

Weemoed

De biografie die Henssen over Scheltema heeft geschreven is een aangenaam boek, dat, behoudens het gebruik van oubollig-gymnasiale epiteta als "de Groninger vates', prettig leest. In drie belangrijke hoofdstukken schetst hij afzonderlijk de dichter, de hoogleraar en de onderzoeker. Het hoofdstuk "de Sidderrog' geeft een mooi afsluitend portret, met een weemoedigheid die goed bij het onderwerp past. Toch ontbreekt de eenheid. Tussen de dichter van voor de oorlog en de onderzoeker erna is geen verband gelegd. Het hoofdstuk over Pareau is kwalitatief ook het minste van de drie grote stukken. Het behandelt ook eigenlijk de dichter niet maar meer de ontvangst van de gedichten. In de andere twee stukken kan Henssen, die ook een boek over de Groningse universiteit in de naoorlogse periode schreef, veel beter uit de voeten. Het hoofdstuk over de Basilica is een prestatie van grote toegankelijkheid.

De samenhang in het werk van Scheltema moet mijns inziens gezocht worden in het ouderwetse van de maker. Ouderwetsheid beroofde zijn dichterschap van het perspectief, ouderwetsheid gaf zijn wetenschap nieuwe ruimte. Als dichter toont Scheltema verwantschap met dichters als Bloem, Gossaert en Van Eyck in hun classicistische reactie op de decadentie van het symbolisme en de neoromantiek. Die decadentie omschreven zij, met Busken Huet die het van Bourget had, als de stijl van de verbrokkeling. “De eenheid van het boek wordt opgeofferd aan de onafhankelijkheid van de bladzijde, de eenheid der zinsnede aan de onafhankelijkheid van het op zichzelf staande woord.” Deze dichters wilden terug naar een bescheidener opvatting van het dichterschap, naar de bestaande vorm en de traditie, naar de bezielde retoriek. De poëzieopvatting van Scheltema hoort in deze context thuis, met dien verstande dat wat eens reactie was inmiddels reactionair geworden was. Scheltema kon het idioom van de classicisten alleen hanteren in de vorm van ironie. Dat wil zeggen dat de reactie tegen de decadentie zelf decadent geworden was. Het schrijven van gedichten werd een speelsigheidje.

Elegant

Voor de jurist gold het omgekeerde. Tot en met de eerste helft van de negentiende eeuw was de Nederlandse rechtsgeleerdheid zogeheten "elegant' geweest, dat wil zeggen dat ze haar letterkundig karakter behouden had. De kennis van de klassieke letterkunde stond op de voorgrond en rechtskundige redenering kwam op de tweede plaats. Toen iemand als J.E. Goudsmit zijn Leidse professoraat in het Romeinse recht aanvaardde (1859) zei hij echter: “Men moet het Romeinsche regt beoefenen, niet omdat het Romeinsch maar omdat het regt is.” Dat laatste heeft Scheltema in zijn colleges altijd gedaan. In zijn onderzoek daarentegen keerde hij terug naar de antiquarische, elegante rechtsgeleerdheid. Hij moest zich daartoe vaardigheden eigen maken die in de rechtswetenschap al lang uitgestorven waren en in een uithoek van de letterkundige faculteit een schemerbestaan leidden. Ouderwets was hij, maar als jurist werd hij er wereldberoemd mee.