De marteldood van de H. Sebastiaan

In mei 1987 werd Johan Polak, de recentelijk overleden uitgever van een kleine, exquise bibliotheek van louter prachtboeken, door NRC Handelsblad geïnterviewd over het "prijzencircus' rondom de AKO-literatuurprijs.

“Wie natuurlijk genomineerd had moeten worden is Adriaan Litzroth voor zijn boek Sebastiaan”, zei Polak. “Eén van de belangrijkste debuten van de afgelopen jaren. Het is natuurlijk pure corruptie om dit te zeggen, want ik ben mede-uitgever geweest, maar dat boek is overal in de pers afgekraakt. Vooral op ongelofelijk onbeschofte wijze in NRC Handelsblad, zet dat er vooral bij. Dat boek zal over vijftig jaar als een van de belangrijke boeken gelden die deze eeuw in Nederland zijn geschreven.”

Die kritieken waren inderdaad zonder uitzondering zéér negatief. NRC Handelsblad signaleerde een "erbarmelijke stijl' vol "machteloze adjectieven' en een "lading kromme zinnen'. De Volkskrant sprak over "bluf met woorden'. De Haagse Post noemde het boek "een curieus en overjarig stuk edelkitsch'. De Provinciale Zeeuwse Courant gewaagde van dit "langdradige en kleffe boek' vol "rare stylistische krullen'. De Leeuwarder Courant schreef: “De woordenpraal en gezwollen toon zorgen vaker voor een Heer Bommel- en Asterixwending dan de auteur bedoeld zal hebben.”

Johan Polak is na zijn overlijden in alle kranten, ook de hierboven genoemde, geprezen om zijn eruditie en excellente literaire smaak. Waarom is hij dan vóór zijn dood, als initiator van deze roman, blijkbaar niet serieus genomen?

Er zijn twee mogelijkheden. Misschien zijn schrijver en uitgever het slachtoffer geworden van de typisch Nederlandse recensenten-hebbelijkheid liever te laken dan te loven. Het kan. Het is echter eveneens mogelijk dat Polak in dit geval zijn excellente literaire smaak ondergeschikt heeft gemaakt aan zijn waardering voor thema en auteur.

Litzroths titelheld, de H. Sebastiaan, was voor de renaissance "een welkome gelegenheid tot het weergeven van het mannelijk naakt', zegt de vakliteratuur. De kerk zag dit met lede ogen aan en probeerde haar schilderende ondergeschikten ertoe te bewegen de bevallige, door die wrede pijlen gepenetreerde, jongeling een jurk aan te trekken en een baard aan te plakken. Hij is in de loop der tijden de schutspatroon van boogschutters, jagers en soldaten geweest. Tegenwoordig is de H. Sebastiaan de pilaarheilige van de homoseksuele erotiek.

Hij is "de blonde genadeloosheid'-zelf, net als de Blonde Brutale Jongensachtige Knuffeldieren in het oeuvre van Polaks voormalige protégé G.K. van het Reve. De kandidaat-heilige opereert op onverwaterd masochistische wijze, wat doet denken aan de manier waarop Polak (“Ik ben niets, ik ben volkomen mislukt”) zichzelf, tegen de feiten in, zwart probeerde te maken. Sebastiaan wordt ten slotte gedood door zijn geliefde tegenspeler, die hierdoor in een diepe depressie raakt - "The man had killed the thing he loved'. Oscar Wilde, natuurlijk, die andere homoseksuele martelaar waar Polak in 1988 ("Oscar Wilde in Nederland') zo'n fraai boekje over heeft gescheven. Waarom ontbreken trouwens zowel Sebastiaan als zijn biograaf in het namenregister van Polaks "Bloei der decadence' en "Het oude heden', als hij het boek als een van de belangrijkste boeken van deze eeuw beschouwde? Is dat wellicht omdat Polak deze historische roman zélf heeft geschreven en zijn mystificatie niet op de spits heeft willen drijven?

Er lijkt met Adriaan Litzroth iets geheimzinnigs aan de hand te zijn. Nergens, helemaal nergens is hij te vinden. Het Letterkundig Museum produceert desgevraagd vijf recensies, geen enkel interview, wat voor een debuterend schrijver merkwaardig is. Hij is in geen enkel letterkundig naslagwerk te vinden. In het telefoonboek van Amsterdam, de locatie waar de gehele Nederlandse decadence is geconcentreerd, is geen enkele Litzroth te vinden.

De uitgeverij Atheneum-Polak & Van Gennep gebeld. De vriendelijke mevrouw aan de telefoon heeft nog nooit van de schrijver gehoord, noch kan zij iets over hem in de administratie vinden.

Die man bestaat dus niet, daar was ik in dit stadium van mijn naspeuringen heilig van overtuigd.

Frans Goddijn gebeld, die tot voor kort met Johan Polak een maatschap vormde. “Die man bestaat wel degelijk”, zegt Goddijn. “Hij is lid van het Genootschap voor Tegennatuurlijke Letteren. Ja, die receptiegeschiedenis van het boek ken ik wel. Zelf ben ik, als je het mij vraagt, van mening dat het een ietsje verder had moeten worden uitgeëditeerd.”

Helemaal ongelijk hebben de dames en heren recensenten blijkbaar niet gehad.

Ivo Gay, directeur van Ambo en mede-uitgever van het boek, maakt ten slotte aan alle onzekerheid een einde. “Ja hoor, Adriaan Litzroth bestaat”, zegt hij. “Ik heb hem verschillende keren ontmoet. Hij woont in Nijmegen, in een klein huisje bij de kerk. Persoonlijk beschouw ik dat boek als een mislukte imitatie van Couperus, maar Johan wilde nu eenmaal zo graag dat wij het samen zouden uitgeven, en ik vond het moeilijk om nee te zeggen. Het is bij mijn weten het enige wat deze Litzroth tot dusverre heeft gepubliceerd, behalve wat eigen homoseksuele, door hemzelf geïllustreerde en in eigen beheer uitgegeven gedichten, die trouwens óók allemaal over de H. Sebastiaan gaan.”

Het raadsel is opgelost. Nu het boek zelf. De vernietigende recensies hebben blijkbaar hun effect niet gemist. De roman ontbreekt in de collectie van de Openbare Bibliotheek. Hij is bovendien in geen enkele hoofdstedelijke boekwinkel (“Hoe zegt u? Zou u die naam even willen spellen?”) verkrijgbaar. Op mijn oordeel, voor wat het waard is, of het een literair meesterwerk of een mislukte Heer Bommel-imitatie betreft, zult u dus nog even moeten wachten.