De drie kandidaten voor de C. Buddingh'-prijs

De dichters die genomineerd zijn voor de jaarlijkse C. Buddingh'-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie, zijn niet alledrie even bekend. Het debuut van Anna Enquist werd vrijwel overal besproken en bijzonder goed verkocht, aan de bundels van Antoine de Kom en Paul van Capelleveen is tot nog toe, zoals gebruikelijk met poëziedebuten, nauwelijks aandacht besteed. Morgen wordt een van deze drie op Poetry International in Rotterdam bekroond. Wie zijn ze en wat voor gedichten schrijven ze?

ANNA ENQUIST; Verlangen naar stilstand

Aan de zegetocht van Soldatenliederen, het poëziedebuut van Anna Enquist, lijkt geen eind te komen. Na de lovende recensies, een derde druk en optredens in het land is onlangs bekend gemaakt dat de bundel is genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs. Anna Enquist blijkt nauwelijks verrast. “Integendeel,” zegt ze lachend, “ik zou het vervelend gevonden hebben als ik na al deze aandacht nu niet was genomineerd.”

Anna Enquist (1945) is van de ene op de andere dag gedichten gaan schrijven. Ze begon daar laat mee, op haar 42ste. Na haar studie psychologie en piano kreeg ze een aanstelling op het Sweelinckconservatorium in Amsterdam als docent psychologie en schoolpedagoog. Een paar jaar geleden zegde ze die baan op en ging werken als psychoanalytica op het Amsterdamse Psycho Analytisch Instituut. Sinds dat moment is ze zich gaan bezighouden met poëzie.

Anna Enquist: “Vroeger was piano spelen mijn uitlaatklep. Ik heb jarenlang intensief gemusiceerd, maar op den duur had ik door mijn baan niet genoeg tijd om te studeren en hetzelfde niveau te handhaven. Toen heb ik maar besloten er mee op te houden. Er viel een gat en daar is dichten voor in de plaats gekomen. Ik had het nooit eerder geprobeerd maar ik heb wel altijd plezier gehad in iets kort en duidelijk formuleren. Het voordeel van een gedicht is de concieze vorm. Ik heb een druk leven met werk en allerlei afspraken, dus ik ben gewend aan spurtjes op korte termijn. Een gedicht maken past daarin.”

Op aanraden van een collega heeft Enquist, zoals ze een paar maanden geleden vertelde in een uitgebreid interview in deze krant, haar gedichten opgestuurd naar een tijdschrift om te zien of ze wat voorstelden. Ze publiceerde vervolgens in Maatstaf en kwam terecht bij De Arbeiderspers.

Soldatenliederen is een bundel waarin muziek nogal eens een rol speelt. Ook worden onder de gedichten regelmatig muziekstukken vermeld, zoals de serenade voor strijkkwartet van Tsjaikovski bij het eerste gedicht over een gedeserteerde soldaat die zich schuilhoudt in een bos:

De wind/ brengt flarden van een onrustbarende muziek:/ G-groot, het lijkt een wals, niets aan de hand/ alleen ik ga ten onder ik verga ik ga/ reflectieloos teloor in zachte pizzicati.

Alle verwijzingen naar muziek, legt Enquist uit, betreffen stukken die ze heeft gespeeld. “Als ik die serenade van Tsjaikovski had ingestudeerd voelde ik me na afloop altijd beroerd. Ik snapte dat niet en toen heb ik me afgevraagd waar die muziek me aan deed denken - zo is het gedicht ontstaan. In mijn nieuwe bundel die gaat verschijnen is de invloed van muziek minder direct aanwezig, al komt er een cyclus in voor over Don Giovanni.”

Aan de bouw van haar gedichten is volgens Anna Enquist te zien dat ze belang hecht aan ritme en klankverwantschappen. Storend is daarom dat dit aspect nu juist verloren is gegaan in een Engelse vertaling die onlangs voor Poetry is gemaakt. Met spijt constateert Enquist dat de vertaling geen ritme heeft. “Doordat het muzikale is verdwenen en alleen de betekeniskant overeind is gebleven is het gedicht eigenlijk verpest. Dat vind ik jammer, al ben ik natuurlijk ook trots dat een gedicht van mij is vertaald.”

De gedichten in Soldatenliederen, onderverdeeld in acht afdelingen, zijn over het algemeen ernstig en zelfs somber van toon. De dood en het verstrijken van de tijd zijn onderwerpen die bij de dichteres een wanhopig makend verlangen oproepen naar een moment van stilstand, zoals in het gedicht "Van verlangen':

Je zou wel willen dat de dood een man was. Tijd,/ zijn vriend, is uitgestuurd om je te halen. Warmte.

En een paar regels verder:

Maar tijd is: gaan. Maar dood is: stil gaan staan.

Anna Enquist: “Wat ik mis in mijn gedichten is humor, terwijl ik daar in het echte leven juist erg van houd. De toon van mijn gedichten is meestal treurig en verbeten. Dat zal wel te maken hebben met de momenten waarop ik schrijf: ik heb zelden inspiratie als ik me gelukkig en vrolijk voel. Als ik iets dreig te verliezen wil ik het bewaren en dan ga ik schrijven. Zo vind ik het groot worden van mijn kinderen een verlies dat ik probeer vast te leggen in gedichten. Bij mijn gedichten kun je zodoende niet in de lach schieten zoals wel gebeurt als je poëzie van Reve leest.”

Gerard Reve is een schrijver aan wie Enquist zich schatplichtig voelt. Met name zijn vroege brievenboeken Nader tot u en Op weg naar het einde herleest ze keer op keer. “Als hij te geestig en verhullend wordt, betrapt hij zichzelf daarop en gaat soberder schrijven. Het spreekt me aan dat hij zo zuiver mogelijk wil formuleren. Die zuiverheid en scherpte streef ik na. Poëzie lees ik niet veel. Vroeger las ik wel Eva Gerlach, maar nu ben ik bang dat ik daardoor word beïnvloed en onbewust dingen ga overnemen. Een tijdje geleden schreef ik een gedicht waarin een zin stond die me bij nader inzien bekend voorkwam. Later trof ik hem bij Kopland aan. Gelukkig kon ik er toen nog wat aan doen, maar daaruit kun je afleiden hoe gevaarlijk het is Nederlandse dichters te lezen.”

ANTOINE A.R. DE KOM; Een getransformeerde grootvader

Toen Antoine de Kom in 1991 bij Querido debuteerde met de dichtbundel Tropen had hij het gevoel een soort familietraditie voort te zetten. Ook zijn grootvader, de nationalist Anton de Kom die in de jaren twintig en dertig opkwam voor de onafhankelijkheid van Suriname, schreef. Hij had weliswaar geen poëzie op zijn naam staan maar hij publiceerde wel romans en filmscenario's. Bekend werd hij vooral met zijn in 1934 verschenen boek Wij slaven van Suriname waarin hij zijn licht werpt op de koloniale verhouding tussen Suriname en Nederland. Antoine de Kom heeft zijn grootvader nooit gekend: Anton de Kom stierf in april 1945 in een Duits concentratiekamp. In 1956 werd zijn kleinzoon geboren in Den Haag.

Van zijn tiende tot zijn veertiende woonde Antoine de Kom in Suriname, een tijd waarin zijn vader als technisch ambtenaar bij de Surinaamse luchtvaart werkte. De Kom ondervond daar op de lagere school dat zijn grootvader in de geschiedenisboekjes werd afgeschilderd als een communistische oproerkraaier die in 1933 terecht het land was uitgezet. Terugkijkend op die periode stelt De Kom vast dat hij zich toen in een rare positie gemanoeuvreerd zag. Hij moest zijn klasgenoten en onderwijzer duidelijk maken dat zijn grootvader geen misdadiger was, iets waar niet iedereen indertijd begrip voor had.

De Kom vertelt desgevraagd dat hij in de drie openingsgedichten in Tropen geprobeerd heeft aan te geven hoe zijn grootvader zich als politiek balling gevoeld moet hebben. In grenadier Ogier de Gombaud, naar wie de drie gedichten genoemd zijn, is volgens De Kom op een getransformeerde manier zijn grootvader te herkennen. In de vorm van een brief aan Lodewijk XVIII laat hij de grenadier aan het woord. Na een mislukte aanslag op Napoleon, zo blijkt uit de lange klaagzang, is hij naar Cayenne verbannen waar hij verbitterd zijn tijd uit zit:

Mijn lot. Dat ik denk, dus ben, leef/ Leeg als 'n schedel. Verrot. Gedoemd.

Hoewel Antoine de Kom slechts een paar jaar in Suriname heeft gewoond, oefende die periode een sterke aantrekkingskracht op hem uit getuige het grote aantal gedichten in Tropen dat is gewijd aan jeugdherinneringen en indrukken opgedaan in Suriname. Het zijn lome gedichten over warme passaatwinden, stoffige zandstraten en veranda's, wuivende palmen en bruine tantes:

Dit is een stad waar palmen,/ koningspalmen, langs het asfalt/ van de straten staan. Trottoirs/ bestaan uit onbetegeld zand/ dat droog is en verstuift en alles/ behalve de palmen/ bedekt met stof.

“Als kind,” zegt Antoine de Kom op een zonnige dag in Amsterdam, “zat ik vroeger vaak in de tuin en keek om me heen. De kleuren, geuren en het licht waren van een overweldigende intensiteit. Dat gaf een gevoel van grote verbondenheid met de omgeving. Aan de andere kant is zo'n heel warm land saai voor een kind: het heeft iets onbewogens alsof het leven stilstaat. Dat contrast tussen het saaie en intense is voor mij heel belangrijk. Achteraf heb ik dat als iets mystieks ervaren en dat mystieke probeer ik nu op te roepen in mijn poëzie. Zo hoop ik de intensiteit opnieuw te beleven.”

Antoine de Kom, die van beroep psychiater is, werkt in Amsterdam bij de centrale Riagg dienst op de afdeling acute psychiatrie en in Utrecht op het Pieter Baan centrum. Sinds begin jaren tachtig schrijft hij in zijn vrije tijd gedichten, enkele daarvan verschenen voor het eerst in 1989 in De Gids. Daarna heeft hij op aanraden van Leo Vroman, met wie hij correspondeert, zijn werk naar Querido opgestuurd. Daar zat naar zijn zeggen veel dood hout bij en uiteindelijk heeft hij daarom een selectie gemaakt waarmee hij vorig jaar debuteerde.

Inmiddels staat een nieuwe bundel op stapel. De Kom omschrijft de gedichten daarin als minder lieflijk en scherper van toon dan die in Tropen. “Wat ik geprobeerd heb is een nieuwe wereld te maken volgens een eigen tropisch principe. Dat principe moet zich in de poëzie vormen en dat maakt de gedichten iets minder concreet. Ze verwijderen zich een beetje van het landschap.” Als voorbeeld noemt hij het programmatische gedicht "De aanzet tot een tropische poëtica' dat daarin is te vinden en geïnspireerd is op een gedicht van Wallace Stevens.

De Kom leest veel poëzie en leerde er al vroeg van houden. Zijn tante, zegt hij, droeg vroeger regelmatig gedichten voor en nodigde thuis dichters uit. Eén van hen, de Surinaamse dichter Shrinivási, heeft De Kom daar ontmoet. Sindsdien is hij een bewonderaar van diens “bewogen en geëngageerde poëzie”. Andere dichters die hem aanspreken zijn onder anderen de Surinamer Trefossa, de Vlaming Maurice Gilliams en Franse symbolisten als Mallarmé en Valéry.

“Wat ik zoek in andermans poëzie is de intensiteit die ik in mijn eigen gedichten probeer te bereiken. Een mooi gedicht vind ik een gedicht dat meer suggereert dan prijsgeeft zoals Le cimetière marin van Valéry. Dat is heel evocatief en relativerend tegelijkertijd: wat wordt opgeroepen wordt meteen teniet gedaan. Zoiets brengt je als lezer in een andere staat.”

PAUL VAN CAPELLEVEEN; Gedichten als een videoclip

“Mijn gedichten moeilijk? Ik denk dat ze heel eenvoudig zijn. Je moet je als lezer alleen wel schrap zetten, dat doe je ook als je in een achtbaan zit en het idee hebt dat het te snel gaat.” Paul van Capelleveen begrijpt het niet goed als mensen zeggen dat ze moeite hebben met zijn gedichten, verzameld in zijn in 1991 verschenen poëziedebuut Altijd commentaar. Hij heeft gemerkt dat men er steeds andere aspecten uithaalt, maar dat vind hij geen bezwaar. Kennelijk is er in zijn bundel voor iedereen wat wils, stelt hij tevreden vast.

“In mijn poëzie”, zo legt hij uit, “komen weliswaar gebeurtenissen voor, maar ze worden niet op de geijkte manier beschreven. Ik houd van een verstoorde en een beetje snelle beschrijving waardoor gedachtensprongen ontstaan. Een gedicht moet niet over één onderwerp gaan, dat vind ik saai. Mijn beelden zijn doorregen met andere beelden zoals in een videoclip - vervolgens is het aan de lezer om zijn eigen tempo te bepalen. Dat heeft hij dus als voordeel boven degene die naar de televisie kijkt.”

Paul van Capelleveen ziet niet graag dat zijn poëzie in een hokje wordt geduwd. Misschien is dat een van de redenen waarom zijn bundel is uitgegeven zonder enig begeleidend commentaar bij de gedichten of informatie over de maker. Als ik ernaar vraag vertelt Van Capelleveen niettemin dat hij in 1960 in Nijmegen is geboren en nu werkt in de KB in Den Haag. Maar zulke gegevens zou hij nooit om een omslag laten zetten.

“Ik schrijf gedichten en geen flapteksten. Bij mij staat het isbn-nummer achterop, dat is al heel wat. Een flaptekst vind ik vaak verwaand. Als er staat dat de inhoud wel twintig verschillende dingen betekent denk ik: dat zullen we nog wel eens zien. Ik bepaal dat zelf.”

Paul van Capelleveen heeft zijn gedichten gepubliceerd bij Rothschild & Bach in Amsterdam nadat uitgever Jan Ritsema hem daar om had gevraagd. Het is met vijftig korte en lange gedichten een vrij dikke bundel geworden. “Dat was opzet”, zegt Van Capelleveen. “Iemand die met 21 gedichten debuteert zou naar mijn idee beter nog wat kunnen wachten. Maar dat betekent in mijn geval wel dat als ik hetzelfde tempo aanhoudt mijn volgende bundel pas in 1998 verschijnt.”

Altijd commentaar opent met een gedicht dat een paar bladzijden beslaat, getiteld "De laatste slag aan Ridder Rozemond' (met wie Rutger Hauer wordt bedoeld als Floris in de gelijknamige tv-serie). Van Capelleveen: “Ik heb Rozemond vooraan gezet omdat het iets uitnodigends heeft met een lang gedicht te beginnen. Ik vond dat de lezer maar meteen in het diepe moest. Het maakt bovendien zo'n zuinige indruk als je met korte gedichten begint.”

Toch volgen die al gauw. "Singerie' bij voorbeeld beslaat een paar bladzijden die telkens met slechts enkele regels zijn gevuld. De tweede regel, bestaande uit een woord of zinsnede, is steeds tussen haakjes en in een ander lettertype afgedrukt. Deze regels, vertelt Van Capelleveen, moeten achter elkaar gelezen worden. Het zijn twee aantekeningen uit de geschriften van Paul Valéry waar omheen hij een eigen variatie heeft gemaakt. Net als in veel andere gevallen is dit gedicht in stukken gehakt, wat volgens Van Capelleveen de functie heeft van een nieuwe alinea, een pauze waarin hij van perspectief kan veranderen.

Doordat het perspectief nogal eens wisselt - ik wordt hij en vice versa - lijkt het of er twee stemmen aan het woord zijn die elkaar becommentariëren. “De gedichten gaan veel over praten en denken, over beeldende dingen en ideeën, dat wil zeggen concreet tegenover abstract. Die twee elementen moeten elkaar ondersteunen en met elkaar wrijven. Er mogen best tegenstrijdigheden in zitten. Een gedicht hoeft het helemaal niet met zichzelf eens te zijn. Ik vind het idee dat er geen mus zonder gevolg van het dak mag vallen niet interessant. Een perfecte eenheid van compositie, zoals die wel wordt nagestreefd in romans, is een ideaal dat vaak niet is vol te houden. En waarom zou je ook geen zinloze details mogen toevoegen?”

Bij vlagen leest Paul van Capelleveen veel poëzie, bij voorkeur van Fritzi ten Harmsen van der Beek (“één van de leukste en spiritueelste dichters, een beetje gek ook”) en Komrij. Hij zegt graag verrast te worden als hij leest. Zo schrijft hij zelf ook: een beetje verwarring zaaiend. Vandaar ook dat hij niet van strakke vormen houdt, al heeft hij gedichten geschreven die veel weg hebben van een sonnet. Toch zijn ze het net niet. “Ik vind het sonnet mooi, maar mijn bezwaar ertegen is dat het octaaf te lang is en het sextet te kort. Natuurlijk kan het geen kwaad als je de techniek beheerst. Zo heb ik gedebuteerd met rijmende gedichten. Dat zou ik nu niet meer doen, maar de verplichting iets op rijm te zetten brengt je soms wel op een idee.”