De Che Guevara van de directiekamer; Jay McInerney over liefde en overnames

Jay McInerney: Brightness Falls. Uitg. Alfred Knopf, 416 blz. Prijs ƒ 50,60

“Niemand wil de wereld nog veranderen”, zegt een van de personages in Brightness Falls van Jay McInerney. “They just want to own it.” Voor zijn vierde roman ging de schrijver van Bright Lights, Big City terug naar het Manhattan van de jaren tachtig, habitat van de egocentrische yup en brandpunt van het economische vreugdevuur dat onder president Reagan om zich heen greep. Het is de tijd van tierende beurskoersen en "the electronic buzz of fast money'; de Dow Jones bereikt de magische 2000-grens en op Wall Street worden miljarden verdiend met kredietspeculaties en al dan niet vijandige overnames.

Hier, in de wereld van M&A (mergers and acquisitions) en leveraged buy-outs, situeert McInerney het opwindende verhaal van een jong modelechtpaar dat na vijf gelukkige jaren in New York langzaam vermorzeld wordt door het rad van fortuin. Oorzaak, zoals in veel goede tragedies, is de grenzeloze ambitie van een van de hoofdpersonen. Russell Calloway, gemankeerd dichter en links-liberaal redacteur bij een gerenommeerde uitgeverij, moet aanzien dat zijn superieuren weigeren om zich in te spannen voor een door hem aangebracht meesterwerk over de Iran-Contra-affaire. Gekwetst in zijn trots en aangestoken door de heersende speculatiekoorts besluit Russell tot een drieste stap: de vijandige overname van het uitgevershuis, opdat hij zelf de lakens kan uitdelen. Geld of kennis van zaken heeft hij niet, maar hij zoekt hulp bij de M&A specialiste Trina Cox en verzekert zich van de steun van Bernie Melman, een puissant rijke beurspiraat die zichzelf ziet als guerillastrijder in het verstarde Amerikaanse bedrijfsleven - "the Che Guevara of the boardroom.'

Voordat de lezer tijd heeft om zich te bedenken ("ben ik wel genteresseerd in het zoveelste verhaal over vuurwerk op Wall Street?') wordt hij meegesleept in de vaart van Russell Calloway's avonturen. De raid op Corbin, Dern and Company wordt stap voor stap beschreven, in lichtvoetig proza dat nooit verveelt. McInerney ontpopt zich als de perfecte economieleraar: met verrassende beelden maakt hij de schimmigste transacties begrijpelijk en spannend. Neem de leveraged buy-out. Eigenlijk heel simpel, legt Trina Cox uit. Stel je bent een spiering en je wilt Moby-Dick kopen. Je gaat naar de bank en sluit een lening af. Daarvoor heb je een onderpand nodig. Geen nood: “the little old minnow pledges the whale, which he does not yet own, as a collateral. Then when the deal is done he pays off the loan with pieces of blubber.”

Zo gemakkelijk blijkt het natuurlijk niet. Het overnamegevecht duurt langer dan verwacht en in het heetst van de strijd wordt Russell verraden door zijn naaste compagnons. Als ook Melman ("the man who gave greed a bad name') hem in de steek laat, valt het doek en blijft hij geruïneerd achter.

Puntkomma

Brightness Falls is veel meer dan een vermakelijk boek over de overname-gekte in de periode voor de beurskrach van 1987. In de met spot geladen passages doet het denken aan The Bonfire of the Vanities van Tom Wolfe. McInerney maakt de party's en de consumptiedrift van de New-Yorkse rijken belachelijk, en geeft daarnaast een hilarisch beeld van de uitgeverswereld. Verschillende figuren uit het Amerikaanse literaire leven worden in Brightness Falls geparodieerd; de oplettende Nederlandse lezer herkent de legendarische Harold Brodkey in de zelfingenomen Victor Propp, een Joyceaans schrijver die zijn reputatie baseert op een "largely hypothetical masterpiece' en enorme voorschotten opstrijkt omdat hij ooit is uitgeroepen tot "de enige Amerikaanse auteur van deze eeuw die werkelijk iets heeft begrepen van de puntkomma.'

McInerney is een begaafd satiricus, die veel lijkt te hebben opgestoken van grote voorbeelden als Evelyn Waugh en F. Scott Fitzgerald. Toch is de satire in Brightness Falls slechts bijzaak. De beste gedeeltes van het boek zijn gewijd aan de verhouding tussen de hoofdpersoon en zijn vrouw. Terwijl Russell voortgaat met zijn gedoemde waagstuk ("a lethal cocktail of hubris and temporary insanity') en zich op krediet toegang verschaft tot iedereen die rijk en beroemd is, wordt Corinne Calloway's verzet tegen de zelfzucht en het snelle leven steeds sterker. Ze zegt haar baan als effectenmakelaar op, probeert Russell over te halen om kinderen te nemen, maar moet uiteindelijk toezien hoe hun huwelijk ineenstort - niet toevallig tegelijk met de windhandel op Wall Street.

Het uit elkaar groeien van Russell en Corinne, en de desintegratie van hun vriendenkring, is ontroerend beschreven. De goed getroffen innerlijke monologen geven Brightness Falls een emotionele diepgang die ik in eerder werk van McInerney altijd gemist heb. Romans als Bright Lights, Big City (1984) en Story of My Life (1988) waren origineel en prettig om te lezen, maar lieten door hun eendimensionale hoofdpersonen weinig indruk achter. De Calloways zijn sympathiek zonder in heiligheid te vervallen - zelfs het enigszins sentimentele einde (na de loutering de verzoening) neem je daarbij voor lief. Trouwens: waarom zou een goed boek altijd slecht moeten aflopen?

In Brightness Falls toont McInerney, eens voorman van het zogenaamde "Brat Pack' van de Amerikaanse literatuur, zich niet alleen een volwassen romancier maar ook een literaire duizendkunstenaar. Alles lukt hem: de afwikkeling van de plot is goed gedoseerd, de dialogen zijn snel maar niet overdreven gevat en ook zonder puntkomma's zijn de zinnen gaaf en de alinea's ritmisch. Daarbij komt dat McInerney een meesteroog heeft voor de kleine details van de alledaagse waanzin in New York. Een mooi voorbeeld is het bordje NO RADIO dat Russell achter de voorruit van zijn dure terreinwagen legt. Hij ziet het als een probaat middel om dieven af te schrikken, terwijl het Corinne vooral herinnert aan de ongelijkheid om haar heen: "To her it seemed like the smug slogan of a club to which she didn't want to belong, a mantra of frightened privilege.'

In Brightness Falls wemelt het van dit soort venijnige observaties. Strak geknotte balletdanseressen wekken de indruk dat ze "oefenen voor de facelifts die onherroepelijk komen', en de showroommodellen van de kwijnende Amerikaanse auto-industrie worden vergeleken met "opgezette exemplaren van een bedreigde diersoort.' Het zijn kanttekeningen bij het grotere drama dat zich voltrekt, maar tegelijkertijd vignetten van Jay McInerney's gerijpte talent.