Boogie Woogie Mondriaan

Niet alleen zijn schilderijen zullen weer volop in de aandacht worden gebracht - nee, er worden in 1994 ook tal van nevenactiviteiten “in de sfeer en belevingswereld van Mondriaan” georganiseerd. Daarbij moet, aldus opper-organisator Frits Becht in deze krant, worden gedacht aan typografie, vormgeving en architectuur. Maar er is méér. “We zijn ook in gesprek met het Nederlands Danstheater,” ging Becht verder. “Mondriaan hield erg van dans, deed het ook zelf. Je zou kunnen denken aan choreografieën van Kylian en Van Manen, bijvoorbeeld.”

Mondriaan hield erg van dans, deed het ook zelf. Aan zijn vriend en collega Theo van Doesburg schreef hij in 1920 vanuit Parijs: “Schrijf me eens hoe je de Shimmy (nieuwe foxtrot) vindt. Dat is voor mij "je' dans. In 't eerst wel lastig met die hak-teen. Tegenwoordig smokkelen ze wel daarmee maar 't is toch 't fundament. Het zal goed op je inwerken en ook dat je ermêe begint verheugt me omdat 't een "uiting' is.”

De shimmy was een van de vele dansrages in het voetspoor van de charleston, aanvankelijk slechts beoefend in zwarte cafés in Chicago, destijds door een verbaasde verslaggever omschreven als a prolonged wriggle en in de jaren dertig vervolmaakt door de robuuste filmdiva Mae West. Mondriaan bewonderde haar zeer.

Ook de charleston zelf liet hem overigens niet koud. Maar, sputterde de Parijse correspondent van de Telegraaf in 1926 tegen, was dat dan geen tamelijk hysterisch modeverschijnsel? Ja, antwoordde Mondriaan: als blanken het doen. “Maar bij de negers, bij een Josephine Baker b.v., is het ingeboren, schitterend-beheerschte stijl.” De zwarte medemens lag hem, zo blijkt uit alles, na aan het hart. De man van de Telegraaf zag met eigen ogen, dat de schilder opveerde bij “de strakke, staalgespannen horizontaal-geplande muziek der jazz-negers”. Mondriaans belangstelling voor Josephine Baker, de sensatie van uitgaand Parijs, grensde zelfs aan het hitsige.

Tot op hoge leeftijd begaf hij zich met graagte op de dansvloer. “Hij introduceerde iets nieuws”, zei zijn vriendin Charmion von Wiegand in 1980 in de tv-documentaire Mondrian in New York: “Je hield je partner bij het dansen op een afstandje. Dat had toen niemand eerder gedaan, nu doet iedereen het in de disco. Hij hield ervan op de boogie woogie te dansen.”

De boogie woogie kwam pas in het begin van de jaren veertig in zijn leven, toen Mondriaan zich in New York had gevestigd en er een gewoonte van maakte onverwijld naar de bioscoop te ijlen als er een nieuwe film met Fred Astaire en Ginger Rogers draaide. Zijn vriend Harry Holtzman bracht op een avond een paar grammofoonplaten mee, die op de pas aangeschafte platenspeler werden gelegd en de inmiddels 68-jarige schilder tot nieuwe geestdrift brachten. “Zoals ik al verwachtte,” zei Holtzman nadien, “was zijn reactie er een van verbijstering. Hij sloeg zijn handen ineen en riep: Enorm! Enorm! Enorm!” In een interview in 1944 trachtte Mondriaan, weer enigszins op adem gekomen, zijn enthousiasme te verklaren: “In echte boogie woogie zie ik een strekking die aan de mijne verwant is: destructie der melodie, opbouw door voortdurende tegenstelling van pure uitdrukkingsmiddelen. Dynamisch ritme.”

Het was niet voor het eerst, dat Mondriaan een poging deed zijn intuïtieve affiniteit met de dansmuziek een analytische grondslag te geven. Reeds in 1928 schreef hij een “artistiek-filosofisch” betoog, getiteld De jazz en de Neo-plastiek en gepubliceerd in De Stijl. Het is helaas ietwat stroef geformuleerd en wekt op het eerste gezicht een voornamelijk cerebrale indruk. Niettemin blijkt dat de scribent de jazz nadrukkelijk in verband bracht met de slordige omgeving van de horeca. Zonder omhaal benoemde hij de populaire muzieksoort tot het domein van de bar, waar “de overgang van kunst in leven” pas goed tot haar recht kwam. In de bar immers klonk de jazz, zoals in de straten het geraas van het verkeer heerste en in de fabrieken het gedreun der machines - en samen vormden zij, zo valt te begrijpen, “het open rhythme dat de wereldstad ademt.”

Het laatste schilderij dat hij voltooide, was Broadway Boogie Woogie - een rechthoek waarop de horizontale en verticale lijnen niet meer zwart zijn, maar werden samengesteld uit vlakjes in verschillende kleuren. H.L.C. Jaffé herkende er het staccato-patroon van de achtste en zestiende noten uit de muziek in. Onvoltooid bleef het volgende schilderij, het ruitvormige Victory Boogie Woogie. Mondriaan stierf in 1944, toen ook aan de internationale oorlogsfronten de victorie nog niet daar was.

Boogie woogie, jazz, shimmy, charleston - het zijn geen genres die men snel associeert met het balletpodium waarop Frits Becht het oog heeft gericht. Het is, integendeel, de muziek van de 78-toerenplaten die in het atelier van de kunstenaar voortdurend op de draaitafel lagen. Het zijn de ritmes van de kroeg waar Mondriaan na het werk zijn vertier zocht, met muzikanten op een piepklein verhoginkje en zwetende lichamen tussen de tafeltjes en stoelen. Het is geroezemoes, het is drank en sigaretterook.

Maar, zei Becht, op dit moment bevinden de plannen zich nog in een hoogst voorlopige fase. De ideeën voor de nevenactiviteiten moeten “in de loop van de komende twee jaar” nog groeien. Ook, naar valt te hopen, tot buiten de muren van museum, concertzaal en balletpodium.

Foto: Broadway Boogie Woogie van Mondriaan: “De overgang van kunst in leven.”