Bartók zonder wellust en dreiging

Concert: Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Jeffrey Tate m.m.v. Anne Howells (mezzo-sopraan) en Robert Lloyd (bas). Programma: R. Strauss: Macbeth; B. Bartók: Blauwbaards burcht. Gehoord: 18/6 De Doelen Rotterdam. Herhalingen: 19, 21/6.

Na het aantreden van chef-dirigent Jeffrey Tate en artistiek directeur Kees Hillen staat er bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest af en toe een concertante opera op het programma. Dat verwondert niet: Tate begon zijn carrière 22 jaar geleden in het Londense operahuis Covent Garden waar hij vast gastdirigent is. En Hillen was jarenlang programmeur van de Vara-matinee, die een wereldnaam heeft op het gebied van concertante opera.

Na het Singspiel Zaide van Mozart in het vorige seizoen, wordt dezer dagen Blauwbaards burcht van Bartók drie keer uitgevoerd onder leiding Tate, met een geheel Engelse cast: de befaamde Engelse bas Robert Lloyd vertolkt de vrouwenvreter Blauwbaard en de mezzo-sopraan Anne Howells zingt de rol van Judith, zijn zevende en (voorlopig?) laatste slachtoffer.

Voor Howells was het gisteravond de eerste keer dat zij Judith zong en zij slaagde er nog lang niet in volledig gestalte te geven aan de uiteenlopende emoties van nieuwsgierigheid, angst, ontzetting, overgave en extase die het personage kenmerken. De als Blauwbaard ervaren Robert Lloyd bouwde zijn sonore rol duidelijker op: van aanvankelijk geveinsde onverschilligheid naar steeds heftiger, maar toch goeddeels gespeelde emoties: Blauwbaard weet immers wat er verborgen ligt achter de deuren die Judith opent en dat zij de zevende deur zal binnengaan om zich te voegen bij zijn vorige vrouwen.

Beide vertolkingen leden onder een ernstig balansprobleem omdat Tate het orkest wel erg luid liet spelen. Bovendien ontbrak het in zijn interpretatie vaak aan intense spanning en de onontkoombare dreiging van het mysterie, omdat de donkere strijkerspartijen met het noodlotsmotief veel te weinig aandacht kregen. Maar ook was er bij Tate wel erg weinig muzikale wellustigheid en passie te bespeuren in zijn uitbeelding van de deuren die uitzicht geven op de gouden bergen van sieraden, de bloesems en het meer van tranen. Alleen bij de vijfde deur kon het spektakel van orgel en acht koperblazers ernaast indruk maken.

Vooraf kreeg het symfonisch gedicht Macbeth van Richard Strauss een nog veel luidruchtiger uitvoering. De verwondering van Kees Hillen in het programmaboekje dat dit werk zo weinig wordt gespeeld werd zo door Tate gelogenstraft. En ook in vergelijking met het in hetzelfde idioom geschreven Tod und Verklärung van Strauss kan Macbeth zich niet handhaven: daarvoor ontbreekt het hier naast enige ontwikkeling van het drama aan de demonische psychologie van het onheil dat wordt aangericht door Lady Macbeth, muzikaal ook zo welbekend in de versie van Verdi. Strauss' bloedstollende revanche op dit gebied kwam pas negentien jaar later, in Salome.