Wie "Maastricht' niet tekent moet uit EG

AMSTERDAM, 18 JUNI. Als de EG-landen doorgaan met het in werking stellen van het Verdrag van Maastricht zonder Denemarken zal een voortgezet lidmaatschap van dat land van de Gemeenschap niet mogelijk zijn. Dat schrijft mr. P.J.G. Kapteyn, rechter bij het Hof van Justitie van de EG, in het Nederlands Juristenblad dat deze week verschijnt.

Sinds de Deense bevolking twee weken geleden met 50,7 tegen 49,3 procent ratificatie van het verdrag voor een monetaire en een politieke unie afwees, hebben politieke leiders van de andere elf andere lidstaten herhaaldelijk verklaard dat hun landen gewoon met ratificatie doorgaan. Hoewel "Maastricht' als wijziging van de EG-verdragen door alle twaalf lidstaten moet worden goedgekeurd om rechtskracht te krijgen, dreigen de elf het op een of andere manier ook zonder de Denen in werking te laten treden. Wat daarna dan precies de positie van Denemarken zou zijn bleef tot nu toe in het ongewisse. De rechter Kapteyn, co-auteur van hèt Nederlandstalige handboek over Europees recht, is de eerste die zwart op wit stelt dat een land dat Maastricht niet goedkeurt, niet langer EG-lid kan blijven.

"Maastricht' voorziet in ingrijpende toevoegingen en wijzigingen in het EEG-Verdrag. Als de elf zonder Denemarken doorgaan zullen naast elkaar twee gemeenschappelijke verdragsregimes bestaan: het verdrag oude stijl "à Douze' dat in 1957 in Rome werd gesloten en het verdrag nieuwe stijl "à Onze'.

Er moet volgens Kapteyn een oplossing worden gevonden voor de verbroken samenhang tussen de in Maastricht opgerichte Europese Unie en de "oude' Gemeenschap. Vervolgens zou het noodzakelijk zijn bij elke aanvulling of wijziging van het Gemeenschapsverdrag nauwkeurig de positie van Denemarken aan te geven. Volgens de rechter in Luxemburg is dat nauwelijks te doen.

“Het vertrouwen in de vindingrijkheid van de Europese juristen op dit punt moge groot zijn, zij vindt haar grenzen als die de fundamenten zelf van de Gemeenschap aantasten”, schrijft Kapteyn in het deze week verschijnende Nederland Juristenblad. Het naast elkaar bestaan van twee veelomvattende, aanzienlijk verschillende stelsels van rechtsregels binnen de Gemeenschap, als dat al technisch te verwezenlijken is, lijkt volgens Kapteyn niet te rijmen met een aantal grondbeginselen van de gemeenschappelijke rechtsorde. Hij noemt dan beginselen als het non-discriminatiebeginsel, de rechtszekerheid, de eenheid van de markt en de identiteit van de Gemeenschap in haar externe relaties.