V & D verhaalt hoge personeelskosten op moeder Vendex

ROTTERDAM, 17 JUNI. Warenhuisketen Vroom & Dreesmann heeft optisch het verlies vorig jaar met tien miljoen gulden naar beneden kunnen brengen. Operationeel hebben de warenhuizen geen verbetering kunnen boeken, zo blijkt uit de vertrouwelijke jaarcijfers van V & D, die deze krant gisteren publiceerde.

De bruto omzet is vorig jaar niet 32 miljoen gulden gestegen, zoals de directie aan het begin van dat jaar had verwacht, maar licht gedaald. De bruto bedrijfswinst bleef ook achter bij de prognose, maar bleef ten opzichte van het rampjaar 1990 vrijwel gelijk. Alle kosten, behalve de loonkosten lopen bij Vroom & Dreesmann op.

Dat V & D dit jaar toch meldde dat de verliezen ten opzichte van 1990 met tien miljoen gulden zijn teruggebracht tot zestig miljoen is alleen te danken aan de loonkosten. Zonder die besparing op de loonkosten zou het verlies op negentig miljoen gulden zijn uitgekomen, nog twintig miljoen gulden lager dan het als historisch dieptepunt beschouwde jaar 1990.

De loonkostencomponent is van essentieel belang in de beschouwing van Vroom & Dreesmann. De warenhuizen hebben op een dozijn personeelsleden na niemand ontslagen. Het verloop is minimaal geweest. Waar komt dan de besparing vandaan?

V & D blijkt vorig jaar alvast de vruchten van vermindering van het personeel te hebben geplukt. Vroom & Dreesmann heeft enkele tientallen werknemers tewerk gesteld in de holding Vendex International. Daarmee konden zij worden afgevoerd van de loonlijst van de warenhuizen. Een groep van enkele honderden werkt nog bij V & D, maar drukt niet meer op de loonlijst. Gemiddeld zit er één jaar tot anderhalf jaar tussen de ontslagaanvraag en het moment waarop iemand V & D moet verlaten. Aangezien die ontslagprocedures nog in volle gang zijn, zou V & D vorig jaar normaliter niet op de loonkosten kunnen besparen. Sterker nog: afvloeiing kost geld door de inschakeling van outplacementbureaus en betaling van vertrekpremies. V & D is met honderden mensen bezig, maar vorig jaar waren nog geen dozijn werkelijk gedwongen ontslagen. V & D verhaalt al deze kosten op de holding Vendex Internationale. Droeg de holding deze kosten niet, dan zou het concern niet 1990 maar 1991 als historisch dieptepunt moeten zien.

Dit sombere beeld van de operationele gang van zaken wordt nog versterkt door de geheime balans van Vroom & Dreesmann. Vorig jaar hadden de warenhuizen 30 miljoen meer langlopende leningen en 100 miljoen gulden meer eigen vermogen nodig, dan de directie begin 1991 nog had verwacht. Het blijft gissen naar het doel van dat extra vermogen. Zeker is dat het eigen vermogen, verstrekt door Vendex International, normaliter daarvoor extra rendement zou moeten krijgen. Voor die honderd miljoen gulden zou Vroom & Dreesmann, volgens de normering van Vendex, zo'n 14 miljoen gulden extra winst moeten afdragen. De bruto-bedrijfswinst is echter maar met 3 miljoen gulden toegenomen ten opzichte van het rampjaar.

Uit de vertrouwelijke stukken over 1991 blijkt dat bij V & D alleen mode en de restaurants goed lopen. Maar begin dit jaar liep de verkoop op de mode-afdelingen met meer dan tien procent terug, zonder dat daar een duidelijke andere groeier voor in de plaats kwam.

De nieuw aangetreden directievoorzitter drs. P.E. Hamming heeft naar buiten vol gehouden de kosten in de hand te hebben. Hoewel dat nog niet blijkt uit de jaarcijfers is er nog hoop voor Hamming. Hij heeft steeds gezegd dat hij pas in 1993 kan oogsten. HIj wil tot en met 1993 het resultaat met zo'n 100 miljoen gulden verbeteren ten opzichte van het verlies van 70 miljoen gulden in 1990. Zo'n 40 miljoen gulden moet komen uit loonkosten, de rest uit andere besparingen of vergroting van omzet en winst.

Vroom & Dreesmann zegt zelf dat op grond van vorig jaar nog geen zwaarwegende conclusies kunnen worden getrokken omdat de directie toen net vernieuwd was. De daling van de omzet blijkt zich echter in het eerste kwartaal van het nieuwe boekjaar te hebben voortgezet, zo heeft J.M. Hessels desgevraagd bevestigd. In de maanden februari, maart en april is voor 438 miljoen gulden verkocht, een daling van 40 miljoen gulden ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar.

Gezien de mislukte besparingsrondes heeft V & D noodgedwongen de kaarten moeten zetten op omzetgroei. “Als in 1991 de kostenbesparingen op zijn, gaan we ons concentreren op de omzet, zei hij. Met een vriendelijker service moeten de verkopen in de warenhuizen dit jaar worden gestimuleerd”, aldus Hamming.

Een klein beetje meer omzet levert in de detailhandel al snel meer bedrijfswinst op. Het vervelende voor V & D is alleen dat de omzet niet te beïnvloeden is. De gehele mode-branche klaagt. Ook bij andere warenhuizen, zoals de Hema staat de omzet onder druk. “Als er vreselijk negatieve dingen gebeuren met de omzet, heb ik geen andere kaarten meer in mijn tas”, zo zei Hamming. Met de tegenvallers in het eerste kwartaal raakt de tas van Hamming inderdaad leeg.