Spiegels

Er gaat een grote fascinatie uit van boeken die vertellen hoe het ”eigenlijk' hoort. Er zullen wel mensen bestaan die er niet gevoelig voor zijn - echte mannen, dezelfde die geen quiche eten en liefst ook geen sla - maar de eenvoudige geest, zoals u en ik, leest even door waar een auteur zich opwerpt als arbiter en de driedubbele begroetingszoen aan een beschouwing onderwerpt, of verklaart dat het aan de hoger geplaatste is om als eerste de hand uit te steken.

De mens blijft nu eenmaal hunkeren naar antwoord op het vraagstuk, welke houding hij zich moet geven. Sinds hij heeft gegeten van de boom der kennis leeft hij in het besef dat hij de keus heeft tussen zitten met zijn benen over elkaar, of zijn voeten naast elkaar op de grond. Sindsdien is hij bang dat hij niet gepast kijkt tijdens de begrafenis en kwelt hem de vraag of hij iets moet zeggen van het stukje snot onder de neus van zijn chef. Hij is verjaagd uit het Paradijs van de argeloosheid.

(Hoewel, als de argeloosheid in het houding-geven helemáál weg was had je geen leven. Er moet een woord bestaan voor de vorm van gekte waarbij iemand zich onafgebroken bewust is van de indruk die elk van zijn bewegingen op de buitenwereld maakt. Soms ontmoet je iemand die duidelijk last heeft van een dergelijke verkramping. Vrouwen vaker dan mannen. Sommige acteurs hebben het ook.)

Niet alleen manieren en rituelen veranderen door de tijden, maar ook houdingen en de opvattingen over hun wenselijkheid. In de allereerste etiquette-handboeken, eeuwen geleden, werd daar al over gesproken. De adviezen doen ons nu merkwaardig aan. Er staat bijvoorbeeld dat je je mond niet open moet laten hangen. Dat je in gezelschap niet met je ogen moet zitten rollen en je tong binnen boord moet houden. Mensen deden dat kennelijk, anders stond het er niet, zij speelden argeloos met hun fysionomie zoals nu alleen nog maar kleine kinderen doen - en geestelijk gestoorden. Maar ook Amy Groskamp wijdt nog twee bladzijden aan de noodzaak van een correcte houding, tenminste in een editie die uit de jaren vijftig moet stammen. De benen over elkaar slaan is niet zo netjes, vindt zij, evenmin als achterover leunen in je stoel.

Door de verspreiding van spiegels en van de fotografie zijn mensen zich als nooit tevoren bewust geworden hoe zij overkomen. 's Ochtends tandenpoetsen voor de spiegel, 's avonds naar cafés vol spiegels, voortdurend staat een mens oog in oog met zichzelf. Iedere winkelruit, het zonneklepje in de auto, elke openbare wc: spiegels. Niet alleen elke pukkel, maar ook ieder gebaar wordt gereflecteerd. Foto's van menselijke gezichten en figuren grijnzen je onafgebroken tegemoet. Het is een wonder dat er niet meer mensen gek van worden. In Emmanuel Bove's roman Mes Amis, over het leven van een straatarm, licht getikt mannetje, kom je de gewaarwordingen tegen van iemand die leeft in een wereld met weinig spiegels: dat er een rare deuk in je haar ontstaat als je er een hoed op zet terwijl het nog nat is. Je moet het maar weten. Nu weet iedereen zoiets. Iedereen is voorbereid op de confrontatie met zijn spiegelbeeld, klaar voor de foto.

Menselijke houdingen zijn aan modes onderhevig. Zij veranderen in een voortdurende wisselwerking met kleren, meubels, vervoermiddelen. (Bove heeft ook een mooie passage over het gevoel van iemand die voor het eerst in een luie stoel zit: de knieën komen te hoog, het hoofd wil steeds achterover knikken, alsof je in bed ligt.) Er zijn gebaren die vroeger heel gewoon en herkenbaar waren en nu niet meer, doordat hoeden en pandjesjassen, jarretels en stola's bijna zijn uitgestorven. Andere poses die nu gewoon zijn waren vroeger choquerend. Zoals moderne fotomodellen wijdbeens op een muurtje zitten, de ellebogen op de knieën - zij zitten er wat stoer bij, ”zeer oncharmant', zou mijn vader zeggen. Maar niemand neemt er aanstoot aan, vrouwen doen het onwillekeurig na; het is een mode-houding.

De kunsthistoricus E.H. Gombrich vergeleek vorig jaar in een artikel twee modefoto's, om aan te tonen dat er niet alleen in de kunst, maar ook in de menselijke houdingen ”stijlen' zijn. De ene foto, uit 1913, toont drie dames die lieftallige japonnen demonstreren onder wat geboomte. Zij glimlachen onzeker naar de camera. Op de andere foto, uit een Elle uit 1990, staat een fotomodel in een zeer wulpse pose, het hoofd in de nek, de ogen dicht, in een jurkje dat meer een onderjurk is. Zinnelijkheid, overgave, dat straalt zij uit en tegelijk is duidelijk dat zij zich veel meer bewust is van wat zij doet dan de ingetogen dametjes van tachtig jaar eerder.

Waarschijnlijk zit hier het geheim van al die erotisch geladen reclamefoto's waar tegenwoordig zo veel over te doen is. De mens - of laten wij zeggen: de westerse stedeling - wordt niet warm of koud meer van zijn eigen of andermans portret. Ooit drukte iedere houding iets uit van wat zich aan de binnenkant afspeelde. Nu zijn houdingen iets waarmee indrukken worden gemaakt, gewekt. De mens is al een eind op weg niets dan beeld te worden en de onschuld is definitief verloren.

Wat zou het een mooi experiment zijn om ineens weer alle spiegels (en liefst natuurlijk ook de rest van de plaatjes van mensen) te verbieden. Houden moslims zich eigenlijk nog aan hun oude verbod op het afbeelden van mensen? En wat vindt Allah van spiegels? Het is nauwelijks meer voorstelbaar dat mensen zonder dat alles hebben geleefd, honderd jaar geleden nog en hier en daar veel korter. De moderne spiegelverslaafde zou worden teruggeworpen op zichzelf. Hoe zouden de Nederlanders - of neem een kleiner reservaat, één provincie of zo - zich gedragen, hoe zouden zij zich een houding geven na weer een ongereflecteerd decennium?