Sociobiologie van boze stiefouders

De Langoer-apen, Presbytes entellus, zijn uitgebreid in het wild bestudeerd. Ze trekken rond in groepen die bestaan uit ongeveer 10 tot 20 volwassen vrouwtjes en hun jongen, en slechts één volwassen mannetje. Hij is dominant over elk ander groepslid.

De overige mannetjes behoren tot "vrijgezellengroepen'. Zij observeren voortdurend de groepen met vrouwtjes, en wagen af en toe een poging om een dominant mannetje te verdrijven. Als dit lukt, dan neemt een nieuw mannetje diens plaats in de groep over. Opvallend is dat na de machtswisseling dit mannetje probeert de tot acht maanden oude jongen in de groep te doden. Jongen die nog ouder zijn worden door hem genegeerd. Het mannetje is bijzonder vasthoudend, en kan maanden op een kans loeren om een jong aan de vrouwtjes - die onderling solidair zijn - te ontfutselen.

Traditioneel werd dit gedrag beschouwd als een soort sociale pathologie. De functie ervan zou zijn de bevolkingsdruk te reguleren. Als er te veel apen zijn, dan wordt het voortbestaan van de soort door overbevolking bedreigd. Voor de handhaving van de soort zou het dus nuttig zijn dat er af en toe wat jongen worden gedood.

Hiermee in strijd is het gegeven dat infanticide bij de langoer-apen even frequent voorkomt in dichtbevolkte gebieden, als in dunbevolkte. Bovendien is onduidelijk waarom juist de dominante mannetjes de bevolkingsdruk "reguleren', terwijl de vrouwtjes zich heftig tegen het doden van de jongen verzetten. Waarom moet trouwens de bevolkingsdruk alleen gereguleerd worden als een nieuw mannetje de macht in een groep heeft overgenomen? En waarom worden alleen jonge apen vermoord, en nooit jongen die door het regerende dominante mannetje zelf zijn verwekt?

Merkwaardig is ten slotte dat korte tijd nadat een jong is gedood, de moeder voor het eerst copuleert met het nieuwe mannetje, dat de moordenaar van haar jong is. Als het om het handhaven van de soort zou gaan, dan wordt er door de apen een wel bijzonder omslachtige en ondoorzichtige methode gevolgd. Het gedrag van de langoeren lijkt in feite onbegrijpelijk.

Tot honderd jaar na het verschijnen van Darwin's The Origin of Species (1859) meenden de meeste biologen dat levende organismen "de soort proberen te handhaven'. Tegenwoordig zijn evolutiebiologen van oordeel dat organismen zich gedragen, en de eigenschappen hebben, alsof zij hun eigen erfelijke eigenschappen maximaal aan volgende generaties willen doorgeven. Geclaimd wordt dat dit laatste standpunt dicht bij de oorspronkelijke opvattingen van Darwin staat.

Wanneer aangenomen wordt dat elke aap de eigen voortplanting probeert te maximaliseren, dan wordt hun gedrag plotseling begrijpelijk, en passen de stukjes van de legpuzzel moeiteloos in elkaar. Uiteraard proberen de vrouwtjes de jongen te beschermen, want deze jongen zijn hun middel om de eigen genen aan de volgende generaties door te geven. De vrouwtjes in een groep zijn alle aan elkaar verwant, en dus ook aan elkaars jongen. Daarom stellen zij zich vaak gezamenlijk teweer tegen de moordplannen van het nieuwe mannetje, en beschermen elkaars jongen.

Het nieuwe dominante mannetje is niet verwant met de aanwezige jongen, en heeft geheel andere belangen dan de vrouwtjes. Hij is hooguit enkele jaren heer en meester in de groep, en vaak aanzienlijk korter. Bij zijn machtsovername treft hij vooral vrouwtjes aan die jongen zogen, of zwanger zijn van het vorige dominante mannetje. Dit belemmert zijn mogelijkheden tot voortplanting. Een jong wordt ongeveer acht maanden gezoogd. Gedurende die tijd ovuleert het vrouwtje niet, en kan dus niet bijdragen aan het reproduktieve succes van het nieuwe mannetje. Maar als het jong sterft, dan is de moeder spoedig weer vruchtbaar en tot copulatie bereid. Een mannetje uit een groep waarin de jongen kort na zijn machtsovername sterven, is daarom reproductief succesvoller dan een mannetje uit een groep waarin dat niet gebeurt. Daarom verspreidt de erfelijke eigenschap met de instructie "doodt de jonge langoeren in de groep waarin je de macht hebt overgenomen' zich snel door een populatie, en wordt een algemeen kenmerk van mannetjes die de macht hebben overgenomen.

Vanuit de zwangere vrouwtjes bezien, zou het eigen reproductieve succes waarschijnlijk het meest gediend zijn met een spontane abortus onmiddellijk na een machtsovername. Het jong zal immers na de geboorte hoogstwaarschijnlijk vermoord worden. Het moge morbide klinken, maar een Duits-Indiase onderzoeksgroep begroette de eerst waargenomen spontane abortus direkt na een machtsovername bijna als een overwinning. Want er gebeurde wat op grond van de theorie werd verwacht.

Doordat moderne evolutiebiologen het "handhaven van de soort' hebben vervangen door het maximaliseren van de eigen genen in de volgende generaties, verschoof automatisch de aandacht naar relaties tussen soortgenoten onderling. Dit betekende de opkomst van de sociobiologie. Soorten worden onderling vergeleken ten aanzien van hun sociale gedrag, waarbij soms grote overeenkomsten aan het licht komen tussen soorten die in andere opzichten volledig van elkaar verschillen. Zo doet zich bij leeuwen exact dezelfde infanticide voor nadat zich een machtswisseling in een groep heeft voorgedaan.

Langoeren en leeuwen zijn extreem wat betreft het verschil waarin een jong door leden van de eigen groep wordt behandeld. De vrouwtjes zijn bereid te vechten om het te verdedigen, terwijl het nieuwe mannetje een gevecht aangaat om het te vermoorden. Maar bij vele andere soorten is eveneens aangetoond dat "stiefkinderen' anders behandeld worden dan de natuurlijke jongen.

Zolang sociobiologen zich uitsluitend met dieren bezighouden, klinken er zelden protesten. Maar als de mens in beeld komt, dan wordt het onderwerp plotseling enorm beladen.

Een menselijk kind met een of meer stiefouders dat in 1976 in de VS leefde, had een bijna honderd maal grotere kans fataal mishandeld te worden, dan een kind van dezelfde leeftijd zonder stiefouders. Soortgelijke cijfers komen onder andere ook uit Engeland, Canada en Australië. Het sociobiologenechtpaar Martin Daly en Margo Wilson heeft over dit onderwerp veel statistisch materiaal verzameld (Science 1988, vol. 242).

Het verschil in behandeling door natuurlijke en stiefouders, zoals dat naar voren komt uit de cijfers over de sterfte van de kinderen, lijkt universeel te zijn. Verhalen over "wrede stiefouders' worden ook in allerlei verschillende kulturen verteld. Veelbetekenend is dat de stiefouders in het onderzoek van Daly en Wilson onderscheid maakten tussen andermans en eigen kinderen. De kans dat de laatsten stierven was niet groter dan gemiddeld. Verwantschap dempt blijkbaar de onderlinge belangentegenstellingen en agressie. Een evolutionaire verklaring ligt voor de hand: verwanten hebben een deel van het eigen genenmateriaal, en zij kunnen daarom bijdragen aan het verspreiden van de eigen genen. Vooral wanneer er tussen de kinderen onderling concurrentie is, bijvoorbeeld om schaars voedsel, zal het voorkomen dat de "eigen' kinderen meer van de ouderlijke zorg profiteren.

Maar er is wat betreft de behandeling door stiefouders een duidelijk verschil tussen mensen en bijvoorbeeld langoeren. In tegenstelling tot menselijke stiefouders, heeft het nieuwe dominante langoermannetje vanuit reproductief opzicht belang bij de dood van "stiefkinderen'. Daarom is het vermoorden van de jongen door de stiefvader bij langoeren tot een vast gedragspatroon geëvolueerd.

Dit is bij mensen niet het geval. Slechts een fractie van alle menselijke kinderen, met of zonder stiefouders, wordt fataal mishandeld. Het komt vaak voor dat iemand beter met een stiefkind kan opschieten, dan met een "eigen' kind. Maar dat neemt niet weg dat de cijfers van Daly en Wilson moeilijk als toeval kunnen worden afgedaan.

Foto: Twee vrouwelijke langoer-apen vechten samen tegen een mannetje. De serie foto's waaruit dit er een is, geeft het gevecht weer van de vrouwtjes Pawless en Sol die het jong Scratch verdedigen tegen Mug, een nieuw mannetje dat al een maand Scratch probeert te doden. (Foto Sarah Hardy)