Rozegeur en maneschijn

Rozegeur en maneschijn, want het was midzomer-volle-maan deze week en ook overigens liep de natuur met romantiek te koop. Als je er maar oog en neus voor had. Voor wat betreft die rozen zal de neus overigens niet veel dienst meer bewijzen: de kwekers zijn erin geslaagd de roos voorgoed van elke geur te ontdoen zodat ook de vraag of rozen vooral 's nachts of 's avonds of juist bij volle maan geuren onbeantwoord moet blijven.

Toch is dat juist het thema van vandaag. Regelmatig krijgt men de indruk dat bloemen een zekere periodiciteit vertonen in het produceren van geur. Het ene moment passeert men een linde of liguster zonder iets bijzonder gewaar te worden en even later kan men overweldigd raken door de tropische geuren die ze afgeven. Bezitters van een zogeheten Hoya carnosa, een rijkbloeiende kamerplant die nooit dood gaat en altijd in mei en juni bloeit, weten dat zij de plant pas goed ruiken tegen een uur of acht, half negen, 's avonds, zo tussen Harmen Siezen en Erwin Krol. Jaar in jaar uit.

Het probleem is dat het wetenschappelijk gezien niet juist is ervan uit te gaan dat een onnozele bloem een ritmiek in het produceren van geur vertoont zonder tegelijk de mogelijkheid open te houden dat men zelf ritmiek bezit in de perceptie van die geur. Bovendien leert de ervaring dat men zeker niet op elk moment van de dag even goed ruikt. Direct na het opstaan zijn er sowieso weinig zintuigen en organen die naar behoren functioneren en wat later op de dag kunnen activiteiten als tandenpoetsen en roken het reukvermogen aantasten. (Maar nooit lang trouwens, de stelling dat rokers slecht ruiken is niet experimenteel te bevestigen.) Sex, spanning en sensatie blijken het ruiken anderzijds weer sterk te stimuleren.

Maar een vaste ritmiek met dagelijks weerkerende optima? Drs. P.H. Punter van OP&P in Utrecht, Nederlands enige onderneming die is gespecialiseerd in geur- en stankhinderonderzoek, gelooft er niet in, al kent hij geen systematisch onderzoek ter zake. ""Maar de verschillen tussen en binnen personen zijn zo groot dat het vrijwel onmogelijk is ritmiek aan te tonen.''

Zei hij verschillen binnen personen? Inderdaad. ""Er is wel periodiciteit aangetoond in het gebruik van de neusgaten. Er is altijd maar een neusgat tegelijk vol in gebruik, de ander doet dan maar voor zo'n 20 procent mee, en ze wisselen elkaar om de zes of acht uur af. Daaruit ontstaan verschillen in geurdrempelwaarden die wel een factor 100 kunnen belopen.'' Punter gelooft niet in ruikritmiek, niet in systematische verschillen tussen mannen en vrouwen, (afgezien van zoiets als de waardering van de geur van androsteronen in urine) en zou niet weten wat de sectie AW met "onbewust ruiken' bedoelt.

Dat weet de sectie zelf ook niet zo precies. Anderzijds laat zij zich niet zomaar van het idee afbrengen dat er ritmiek is in de menselijke perceptie van bloemegeuren. Na kalm beraad kwam zij tot het inzicht dat er twee experimentele methoden zijn waarmee een en ander kan worden bevestigd of weerlegd: een indirecte en een directe. Indirect is: aantonen dat er ritmiek is in de gewaarwording van een geur waarvan de stabiliteit gewaarborgd is. Gisteravond maakte de sectie AW een verdunningsreeks van Harteveld jonge jenever met water en stelde vast dat een duizendvoudige verdunning van de jenever in een "blinde test' nog net van zuiver water te onderscheiden was, althans om acht uur 's avonds, toen de Hoya zich tot geuren opmaakte. De sectie zal tijdens het zomerreces onderzoeken of op andere momenten van de dag andere verdunningen wenselijk of mogelijk zijn.

Het directe bewijs dat het de Hoya is die ritmiek vertoont zou geleverd kunnen worden als de geur van de plant (dat is: de geurwolk die om de plant hangt) op enigerlei wijze te bewaren zou zijn. Dat je 's och- tends eens kon ruiken aan hetgeen 's avonds om de plant hing. De vraag is dus: kan men geur conserveren? Het antwoord is: ja. Met een scheet in een doosje zal het niet veel worden omdat oxydatie van de anaeroob gevormde darmgassen onvermijdelijk is en een doosje geen goede container is. Maar in glazen of roestvrijstalen vaten of Teflon-zakken blijven veel geuren binnen de grenzen van de meetnauwkeurigheid zeker 24 uur goed. Dat zegt ir. J.I. Walpot van de TNO-werkgroep "Beleid bestrijding luchtverontreiniging' in Apeldoorn, die vooral stankconcentratiemetingen doet en daarvoor een high-tech olfactometer ontwierp. Geurmoleculen kunnen uit een bepaald volume lucht verdwijnen door oxydatie, reactie met vrije radicalen, de invloed van ultraviolet licht of adsorbtie aan vaste objecten. Aan de genoemde materialen treedt weinig adsorbtie op en ook de invloed van UV-straling laat zich makkelijk uitsluiten.

De amateur die eens wat geur wil vangen zal al gauw een glazen container gebruiken. Helemaal risicoloos is dat niet, waarschuwt Punter van OP&P, want wijn- en waterglazen kunnen op onverwachte momenten een vreemde rioollucht krijgen. ""Hoe het komt weet ik niet, maar het is problematisch.'' Ook Walpot van TNO kent het fenomeen, bij voorbeeld van stinkende vensterruiten. Hij denkt dat het een tweetraps-proces is: eerst adsorbeert het glas vetdruppeltjes en die nemen de geurstoffen op. Het oudste industriële procédé voor het winnen van rozegeur, de cold enfleurage, bracht rozeblaadjes samen met glazen platen die met reuzel en rundvet waren bestreken (aldus Ullmann's encyclopedia of industrial chemistry).

Er is meer dat moeilijk is. Gisteren nam de sectie AW, na de jenever, haar eerste monster van de Hoya-geur. Vanochtend bleek dat ook een deel van de rijkelijk stromende nectar in het jampotje was beland. Ook hier zullen de beslissende resultaten dus nog even op zich laten wachten.

Met de maan is het niet beter. De midzomer-volle-maan schijnt maar kort en staat laag aan de horizon, maar in helderheid doet hij nauwelijks onder voor de wintermaan. Wie dit weekend, bedoeld of onbedoeld, laten we zeggen als sluitstuk van een klassieke bruiloft, een lange nachtwandeling maakte door Limburgse maïsakkers, laagstamboomgaarden en bossen, struikelend over onverhoeds overstekend egels etc., zag in het zuiden een heldergele bol staan waarbij het licht van de gemiddelde straatlantaarn in het niet zonk.

Gegeven de waarneming dat rond die gemiddelde lantaarn een wolk insekten hing waar een vleermuis een heel gezin van kan voeden, was daar de vraag: hoeveel motjes en nachtvlinders vliegen dezer dagen vastberaden op de maan af? Ziehier een vraag waarop geen studieboek het antwoord had. Sterker nog: ook entomologen sloeg het de mond vol tanden. ""Ik weet dat ze het niet doen'', zei de een, ""maar hoe zat het ook alweer.'' ""Het zit zo'', zei de ander, ""als ze het wel deden zouden ze uitsterven, dus ze doen het niet.'' Nader bericht na de zomer.