Prometeo: Nono's zoektocht naar nieuwe muziekeilanden

Concerten: werken van Luigi Nono: Omaggio a György Kurtág; Post-Prae-Ludium, Guai ai gelidi mostri en Prometeo, Tragedia dell' ascolto door Nieuw Ensemble o.l.v. André Richard, Radio Kamerorkest, Nederlands Kamerkoor en solisten o.l.v. Ingo Metzmacher en Peter Rundel. Gehoord: 16 en 17/6 Beurs van Berlage, Amsterdam. Herhaling Prometeo 18/6 zelfde plaats.

Verfijnder muziek dan Luigi Nono's Ha Venido voor sopraan en zesstemmig sopraankoor is er in de jaren zestig vermoedelijk niet geschreven. Het herinnert vaag aan oude Italiaanse madrigalen als van Luca Marenzio (de Schubert van de laat-Renaissance), maar is toch hoogst individueel en origineel: zangen van geluk. Maar met Nono's geëngageerde La fabbrica illuminata uit 1964, een jaar na de Canciones die nog sterk herinneren aan Ha Venido, zette een omslag in: de toonband deed zijn intrede in muziek met klanken als van gebalde vuisten.

Van lippen die tastend zoeken naar breekbaar geluk tot een verantwoording van de condition humaine is een gevaarlijke weg, zoals Nono tenslotte zelf ook inzag.

De muziek van Nono die het Holland Festival aanbiedt in de Amsterdamse Beurs van Berlage, is één grote zoektocht naar een nieuwe vormgeving met als hoogtepunt Prometeo, de Tragedie van het luisteren, geïnspireerd door de meerkorige praktijk van de vroeg-Barok, zoals die is ontwikkeld in de San Marco te Venetië, de stad waar Nono met "zijn' arbeiders vocht voor een humanere wereld. De zekerheden van de revolutionaire muziek werden in de jaren '70 en '80 ingeruild voor verwaaide klanken als blinde massa's, zangen van het ongeluk als van hese nachtegalen, gerafeld en aan flarden, naar binnen geslagen, muziek in het stervensuur.

In het centrum van Prometeo, tweeëneenhalf uur muziek zonder pauze, staat een Interludio primo van zo'n acht minuten, als verklanking van de "zwakke Messiaanse kracht.' Altstem, fluit, klarinet en tuba zingen en musiceren zo zacht tot aan de grenzen van het hoorbare, voornamelijk éénstemmig, in muziek als een geschonden kleinood. En inderdaad: tegelijkertijd gevuld met een merkwaardige, niet te omschrijven kracht. Zoals ook een miniem spinragje insecten kan vasthouden: zacht en sterk tegelijk.

Wat Nono minder goed lukte in zijn voorstudies die dinsdagavond aan bod kwamen in de Wang Zaal - een eerbetoon aan Kurtág, Post-Prae-Ludium voor tuba en Guai ai gelidi mostri (Pas op voor de ijzige monsters van de staat) - kreeg in de groots opgezette Prometeo wel degelijk een definitieve en onomstreden plaats. Van de filosoof Massimo Cacciari, die de tekstcollage maakte, stamt het idee van een archipel: de verbinding van het ene naar het andere eiland moet men zoeken en het stuk zou lijken op een oude renaissance-scheepskaart.

Woensdagavond in de Goederenbeurs werd gespeeld op het zeven meter hoge balkon en de overige klanklichamen waren verdeeld over stellages op vijf en drie meter hoogte en de begane grond. Alles werd weergegeven door twaalf luidsprekers: diffuus èn dynamisch, precies zoals Nono dat wilde. Was in de eerste versie (1984) in een Venetiaanse kerk nog een realistisch decor met een boot aangebracht, Nono begreep dat een abstracte luisteropera, waarin het visuele geheel gereduceerd is tot het zien van de musici, de Tragedie van het luisteren veel meer recht zou kunnen doen. Tenslotte is Prometheus slechts metafoor voor een zoektocht naar het onbekende, er is geen verhaal.

De proloog geeft alle klankbronnen: vier orkesten, twee lage instrumentale trio's, koor, soli, spreekstemmen en de etherisch fluitende glazen als bemiddelaars tussen instrumentale en vervormde tape-klanken. Na een groot orkestraal deel heeft het tweede eiland als centrum Hölderlins Schicksalslied, voor mij het eerste hoogtepunt: twee sopranen, basfluit en contrabasklarinet als vreemde en verontrustende stoorzenders. Twee spreekstemmen verhogen de dramatiek in een muziek die vanuit de hoogste balkons naar omlaag duikt als water dat blindelings valt van klip naar klip. Onthutsend mooie muziek, wreed verstoord door orkest-tutti en dan begint Nono's balanceren op de scherpe snede van het non-geluid in het Interludio primo.

Het tweede grote deel heeft weer zo'n expressionistisch derivaat uit Nono's verleden: ditmaal in de rol van de euphonium als een soort van inktspat op de fraai gecalligrafeerde lijnen van het zangtrio. Vervolgens waagde de componist zich aan een combinatie van eiland drie, vier en vijf. Het daarop volgende volgende dichte koor, dat klinkt als een klok met ditmaal bij uitzondering zeer besliste mannenstemmen, heeft een fascinerend effect: een tekst over de zwakke kracht, die voldoende zal zijn om een tijdperk in de lucht te doen vliegen.

Dit deel is als een duister-diabolische vertaling van het begrip rouw - en wat leek de Goederenbeurs opeens sterk op zo'n gruwelijk kerkinterieur van Piranesi! - waarvan de stemming in een ditmaal puur instrumentaal tussenspel wordt doorgegeven, uitmondend in het slotkoor met kernzinnen als “Openen van velerlei wegen” en “Vernieuwen van stiltes”. Geen razende aanvallen meer, ook geen visioen van engelen die binnenvallen in het kristal van de ochtend, klapperend met purperen vleugels, of een aprilwind die de wang van een bloem streelt, slechts een laatste echo ...

Het was een wrange ervaring om na dit overweldigend schone - en belangrijker nog: overweldigend ware - de in 1990 overleden componist niet te kunnen danken. Men applaudisseerde voor de geweldige inzet van de musici, voor de rust uitstralende chef-dirigent Ingo Metzmacher en zijn assistent, voor de precieze werkers van de Heinrich Strobel-studio. Maar Nono zelf, zo realiseerde men zich opeens, was ál te lang na die concerten uit 1957 niet meer in het Holland Festival geweest. Toen glorieerde hij met zijn Ha Venido-koor, waarvan ik gelukkig in die hoge sopranen gisteravond toch nog veel terugvond. Want een zoektocht naar het nieuwe werd het, met verrassenderwijze wel degelijk behoud van het oude.

Foto: Repetitie voor Prometeo in de Beurs van Berlage (foto Jaap Pieper)