Oude trauma's in nieuwe gedaanten; Vandaag zijn in het Oranje-elftal de anti-Duitse sentimenten toch weer aanwezig; Nederlanders en Duitsers kunnen niet zonder elkaar maar ook niet met elkaar

Nederland-Duitsland is meer dan een voetbalwedstrijd. Op de markt in Rotterdam kun je T-shirts kopen met als opdruk een man, gebukt, broek op de knieën, die zijn achterwerk afveegt met de Duitse nationale vlag. Het navenant "leuke' bijschrift is eveneens geïnspireerd door Ronald Koeman, die bij de EK in 1988 in Hamburg het shirt van Olaf Thon gebruikte om zijn achterwerk af te vegen. Koemans commentaar toen: “Dat gebaar was puur bedoeld voor het Duitse volk. Er waren onder de spelers echte haatgevoelens.”

De redenen: "de oorlog' en de WK-finale in 1974 in München. Daar wilden sommige Oranje-spelers volgens Willem van Hanegem (in een interview uit 1989) “die Duitsers voor joker zetten, voor lul laten lopen en vernederen” - hetgeen zoals bekend mislukte. Het trauma was geboren. Na de EK-triomf in 1988, "de tweede psychologische bevrijding van Nederland', zei trainer Rinus Michels: “Hopelijk zijn we nu een hoop frustraties kwijt”.

Tijdens de WK in Milaan in 1990 waren - op de Duitse oerwoudgeluiden, bananen en het Hollandse gespuug na - de scherpe kantjes er inderdaad af. In de grensstad Kerkrade zorgden alleen de media met de nodige inspanning nog voor wat opgeklopte spanning.

Vandaag zijn in het Oranje-elftal de anti-Duitse sentimenten toch weer aanwezig. Hans van Breukelen zegt in Der Spiegel dat hij zichzelf na de nederlaag in Milaan een "Wiedergutmachung' gezworen heeft. Ronald Koeman zegt in Bild: “Tot nu toe waren we te tam. Nu worden we wild, bonken we erop los”. Of het anti-Duitse ressentiment na vanavond ook buiten het veld, in Nederland, opnieuw zal toenemen, hangt vooral af van het verloop en de uitslag. Een opmerkelijke verbetering in de algemene verstandhouding met de Duitsers is evenwel ook bij een zege niet te verwachten. Niet op voetbalgebied en niet op cultureel-mentaal terrein.

De naoorlogse periode overziend, moeten wij vaststellen dat de economische vervlechting wel steeds groter is geworden, maar dat op veel terreinen van het sportieve, culturele en maatschappelijke verkeer het begrip voor "het Duitse' is afgenomen.

Op voetbalgebied was België voor de oorlog en enige tijd daarna dè grote tegenstander. Het ressentiment tegen de Duitsers kwam pas eind jaren zestig en vooral na 1974 op. De interlands tegen West-Duitsland in de jaren vijftig en zestig stonden louter in het teken van de sportieve krachtmeting. Of Oranje nu verloor met 2 - 1 (1957), met 4 - 2 (1966) of met 7 - 0 werd afgedroogd (1959), de pers beperkte zich tot verslagen over techniek en tactiek en trok nuchtere conclusies: “Verloren na plezierige wedstrijd” (NRC 1966). Over de oorlog werd niet gerept. Hans Kraay, Oranje-speler in die jaren, zei in 1989: “Nee, in die jaren hadden wij nog geen hekel aan de Duitsers”.

Herinnering is als een schuiftrompet. Door allerlei omstandigheden in Nederland, en in Duitsland, kwam vanaf de tweede helft van de jaren zestig de oorlog weer bovendrijven, bij de ouder wordende oorlogsgeneratie èn bij de tweede generatie, vooral de tweede-generatie oorlogsslachtoffers. De "ontzettende hekel' van Van Hanegem aan de Duitsers - “ik moet ze sowieso niet. Duitsers zijn arrogant, ze slijmen naar boven en schoppen naar beneden” - heeft alles te maken met het feit dat zijn vader, broer en zus bij het bombardement van Breskens zijn omgekomen.

Hoe lang het zal duren voordat dit oorlogsressentiment helemaal is weggesleten, valt moeilijk te zeggen. Nog steeds hoor je verhalen over buren die de flatbewoners waarschuwen “niet te praten met die nieuwe moffen” in de flat. De Duitse instellingen in Nederland, zoals de Deutsche Evangelische Gemeinde, de consulaten en de twee Goethe-instituten, krijgen nog steeds bij gelegenheid anonieme telefoontjes en post: met de hartelijke felicitaties met het overlijden van "die deutsche Mannschaft' in 1988, met het overlijden van Klaus Barbie, soms vergezeld van de vraag wanneer die instellingen nu eindelijk eens verdwijnen uit Nederland. Zij durven nog steeds niet hun nationale vlag uit te hangen.

En Nederlandse cabaretiers maken zich nog altijd populair met discriminerende grappen waarvoor zij, als je het woord Duitsers door Turken vervangt, onmiddellijk een proces zouden krijgen. Jules Deelder, die in 1988 dichtte: “Zij die vielen rezen juichend uit hun graf”, trekt nu met groot succes van podium tot podium met de vraag waarom de Duitsers met dichte mond begraven worden. Antwoord: “Scheelt een kuub zand”.

Men moet de betekenis van dit soort anti-Duitse uitlatingen niet overdrijven, al heeft recent onderzoek uitgewezen dat jongeren tussen de zestien en negenentwintig jaar anti-Duitser zijn dan de overige leeftijdsklassen. Dit kan men afdoen met de uitleg die men in Duitsland geeft voor het gedrag van de neo-nazi's: “Hasst du was, dann bist du was”. Ook al geven Nipo-enquêtes aan dat het percentage Nederlanders dat "onvriendelijk' staat ten opzichte van de Duitsers sinds 1945 gestaag afneemt, basispatroon blijft dat de Nederlanders en Duitsers niet zonder elkaar kunnen, maar liefst ook niet met elkaar door het leven willen.

Dit is niets nieuws. De tweeslachtige houding jegens de Duitsers - argwaan en profijt - is er al sinds de stichting van het keizerrijk in 1871. De argwaan heeft alles te maken met het kleine buurman-grote buurman complex en het afschermen van de eigen identiteit tegen de in zoveel opzichten gelijke Duitsers.

Opmerkelijk blijft een onderzoek van het Nationaal Bureau voor Toerisme van vorig jaar. Duitsers, zo blijkt, mogen de Nederlanders graag. Zij hebben, toen zij doorkregen dat die westerburen nog iets dwarszat, de afgelopen twintig jaar hun sociale gedrag hier ingrijpend gewijzigd. Het komm mal her!-gebrul komt nauwelijks meer voor. Het lijkt er daarentegen wel op alsof de Nederlanders dat "correcte' gedrag helemaal niet zo leuk vinden, het is wel prettig een vooroordeel te hebben. Want hoe genuanceerd of positief de Nederlandse ondervraagden ook waren over de Duitse toeristen (zo vriendelijk, zo voorzichtig, zo netjes), op de vraag of zij met Duitsers in één bus op vakantie wilden, antwoordde iederen negatief.

Wat meer reden tot zorg geeft, is de algemene afname van het begrip voor en de waardering van "het Duitse' sinds de jaren vijftig. Alleen de Duitse produkten en de Duitse marken zijn altijd welkom geweest. Voor de oorlog kwam ruim een derde van de auto's uit Duitsland, in 1957 ruim 54 procent, nu schommelt het percentage rond de veertig. Volkswagen was in 1947 al goed voor 86 procent van de auto-import, al ging het hier om het meest "verdachte' merk. Had Hitler niet aan professor Porsche opdracht gegeven deze auto voor het volk te bouwen, en zo te ontwerpen dat hij, als je de carosserie eraf haalde, plaats bood aan drie soldaten en een paar mitrailleurs? En dat Opel zijn types na de oorlog steevast militante Duitse namen bleef geven, zoals Kadett, Kapitein en Admiraal heeft nooit een Nederlander van de aankoop ervan afgehouden.

Men zou verwachten dat de toenemende interdependentie tot groeiende interesse in de cultuur en taal van de buren zou leiden. Het tegendeel is het geval. Op cultureel gebied was de waardering op veel terreinen in de jaren vijftig groter dan nu.

Op de televisie werden hier in de jaren vijftig en zestig Duitse spelshows soms zonder ondertiteling vertoond, zo populair waren ze. Sindsdien is het percentage Duitse programma's (kunst, drama, amusement, diversen) steeds afgenomen: in 1957 een toch al povere 3,8 procent, in 1987 een nog poverder 1,8 procent: voornamelijk krimi's en films. In de bioscoop eenzelfde ontwikkeling. In de jaren vijftig waren er nog redelijk wat variété- en politiefilms te zien. De Duitse film beleefde met de "neue Deutsche Welle' (Fassbinder, Wenders, Herzog) in de jaren zeventig een hoogtepunt (meest in filmhuizen overigens). Dat hoogtepunt werd overigens overtroffen door een andere golf Duitse films die in dezelfde tijd Nederland overspoelde: in 1974 waren van de 56 aangeboden Duitse films er 45 seksfilms, en zo is dat gebleven. Vorig jaar konden de Volkskrant-lezers uit honderd titels kiezen voor "de beste film van het jaar'. Er was één Duitse titel bij.

Op het gebied van de geschiedenis kennen de jonge Nederlanders van het enorme verleden van Duitsland voornamelijk die twaalf jaar van het Derde Rijk. Het aantal middelbare scholieren dat Duits kiest is sinds 1972 met bijna de helft gedaald. In Duitsland studeren nu meer studenten Nederlands, dan omgekeerd. Hier studeert nog geen twee procent van de Letteren-studenten Duits. Per jaar komen er een schamele 17 afgestudeerde eerstegraads leraren Duits bij. Bij Arabisch of Spaans is dat een veelvoud van dit aantal.

De hele wetenschap is sinds de oorlog volstrekt gefixeerd op Amerika, niet alleen de sociologie en de psychologie, ook de economie en de bedrijfskunde, al gelden de Duitse economie- en managementcultuur toch niet als onsuccesvol. Veertig procent van de literatuur die de 25 economie-hoogleraren die aantraden tussen 1987 en 1990 raadpleegden voor hun oratie, kwam uit Amerika, en 0,8 procent uit Duitsland.

Johan Huizinga schreef voor de oorlog: “Geen ander volk is door zijn karakter en zijn geschiedenis zoo in staat, verschillende volken in hun aard te verstaan, als het onze”. Dat is lang geleden. De Duitse hereniging, de wedergeboorte van Midden-Europa, de EMU, het zijn niet de minste redenen om de eenzijdige oriëntatie richting Westen te verleggen in andere richting, of in elk geval een nieuwe balans te vinden. Maar er is weinig dat erop wijst dat dit gebeurt. Wij lijken ons terug te trekken in onze culturele "eigenheid'.

Op den duur zou deze tendens naar desinteresse, Huizinga's andere opmerking wederom tot een waarheid kunnen maken: dat de grens tussen West-Europa en Midden-Europa loopt langs de lijn Vaals-Nieuweschans.

Zou dat erg zijn? Ja en nee.

Nee, omdat een stevige eigen culturele uitstraling van een land deel van zijn bestaansrecht is, van de soevereiniteit van de natie. Aandacht voor het eigene is dus geboden. Wat de Duitse politicus Theodor Heuss ooit zei voor zijn land, geldt daarom zeker voor een klein land als het onze: “Met politiek kan men geen cultuur maken, misschien kan men met cultuur politiek maken”.

Ja, omdat dit alles niet wegneemt dat kennis van de cultuur, taal en maatschappij van de belangrijkste EG-partner die we hebben, onmisbaar is en blijft. En niet alleen voor ons zelf. Want wat J.L. Heldring ooit concludeerde, is nog steeds waar: “Het gedrag van de Duitsers wordt mede bepaald door het gedrag

Foto: Na de overwinning van Nederland op Duitsland bij het Europees Kampioenschap voetbal in 1988 verloren supporters in Kerkrade zich zozeer in anti-Duitse emoties dat vechtpartijen het gevolg waren. (Foto Widdershoven)