Ontwikkelingshulp van "doe goed en zie niet om'; Ze zijn stuurloos en weten niet hoe het verder moet; Ons-kent-ons-circuit van vrienden en kennissen

Voor de vier particuliere organisaties was er jarenlang geen vuiltje aan de lucht. De begroting steeg, politieke steun was zeker en lastige vragen werden niet gesteld. Een open debat lijkt voor het kwartet een onwennige, maar ook louterende ervaring. “De vraag "hoe lopen de dingen na 25 jaar en waar zijn jullie nu goed in' is bij de MFO's nooit gesteld”, zegt P. Quarles van Ufford, een ontwikkelingsdeskundige en ex-bestuurslid van de Icco. “De MFO's lijden aan het syndroom van "doe goed en zie niet om'.”

De vier particuliere hulporganisaties hebben het Kamerdebat over zichzelf afgeroepen door vorig jaar een studie te laten verrichten waarin kritische opmerkingen werden geuit. Aanvankelijk wilden zij de conclusies van deze "impactstudie' grotendeels naast zich neerleggen, maar hiermee nam minister Pronk geen genoegen. Daarop staken de vier de koppen opnieuw bij elkaar en produceerden een meer substantiële reactie, waarover de Kamer nu een oordeel velt. Pronk is nog niet helemaal tevreden. Hij vindt dat de vier organisaties beter verantwoording moeten afleggen over hun uitgaven en dat ze meer moeten letten op de resultaten van hun werk.

Het bestaan van MFO's (medefinancieringsorganisaties) dateert nog uit de tijd van de verzuiling. De onderlinge verschillen zijn echter geleidelijk aan verminderd. Toch blijven de vier hulporganisaties sterk hechten aan hun eigen karakter: van een fusie willen zij niet horen. “Er bestaat een grote angst voor een debat over hun identiteit want dan zou wel eens kunnen blijken dat ze niet meer zo verschillend zijn”, verklaart Quarles van Ufford. “Alleen de top houdt vast aan de fictie van de oude identiteit. Het is een soort symbolisch kapitaal dat toegang geeft tot geld. In de oude situatie had dit zin, maar nu verkeren ze in een toestand van aderverkalking. Er heerst bij de MFO's een gevoel van stuurloosheid: ze weten niet hoe het verder moet.”

“De MFO's zijn in de gevarenzone terechtgekomen”, vindt J. van Gennip, een vroegere directeur van de Cebemo, ex-topambtenaar op het ministerie van Pronk en tegenwoordig hoofd van het wetenschappelijk bureau voor het CDA. De vier organisaties financieren duizenden projecten in de Derde wereld, maar volgens Van Gennip schiet “een niet onbelangrijk aantal” zijn doel voorbij. “Er wordt in bepaalde gevallen erg veel aan politisering gedaan en bewustwording. Dat zuigt de aandacht weg van het doel van de medefinanciering. Er bestaat onderwaardering voor de "klassieke hulpprojecten' op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Deze zijn vaak niet spectaculair genoeg”, aldus Van Gennip. “Medefinanciering betekent dat er al iets moet zijn. Wij helpen de armen over een hobbeltje heen. Wij "doen niets met de armen in India'. Zij moeten zélf wat doen en wij helpen alleen een beetje.”

De MFO's vinden echter dat ze op de goede weg zijn. Cebemo en Icco vertrouwen op steun uit christelijke hoek. “Wij zitten in een luxueuze situatie”, zegt A. Fortuin van Cebemo. “Wij hoeven niet aan fondsverwerving te doen. Daarover maken we ons geen zorgen”. Ook M. van den Berg, de algemeen secretaris van de Novib, is optimistisch. “Novib heeft een reorganisatie doorgevoerd. Die was dringend nodig. Een crisissfeer is er als je geen lijn hebt. Ik heb het gevoel dat we de lijn te pakken hebben.” Concrete resultaten van de reorganisatie kan Van den Berg nog niet aanwijzen, die verwacht hij pas over twee jaar.

De afgelopen twee jaar maakte de Novib een turbulente tijd door. Het verloop van de stafmedewerkers ligt veel hoger dan bij de andere MFO's. Vooral de projectafdeling kampt met zware tijden. Het dagelijks werk dreigt vast te lopen in bureaucratische rompslomp, projectmedewerkers klagen steen en been: ze voelen zich “kortgehouden”. Van den Berg zegt dat er zeventien mensen zijn vertrokken en dat hij bepaalde medewerkers “liever niet zag vertrekken”. Jan Mulder, een VVD'er die lid is van het algemeen bestuur van de Novib, heeft het grote verloop - dat naar zijn informatie 40 procent bedraagt - onlangs bij een bestuursvergadering aan de orde gesteld. “Er vertrekken veel gekwalificeerde mensen, terwijl nieuwe medewerkers slechts worden gerecruteerd uit bepaalde hoek”, aldus Mulder. De Novib heeft intussen een nota toegezegd over het personeelsverloop. Mulder wijst er tevens op dat benoemingen van mensen in sommige topfuncties onderhands verloopt. Voor het algemeen bestuur kwam de benoeming van ex-vakbondsbestuurder G. Lubbi als een volledige verrassing. Lubbi werd aangesteld als expert in de schuldenproblemen van landen in de Derde wereld. Maar zij kan, zo stelt Mulder, niet bogen op enige ervaring in ontwikkelingszaken. “Het is te veel een ons-kent-ons-circuit van vrienden en kennissen. Bij aanstellingen worden geen zorgvuldige procedures gevolgd. Met name bij organisaties die overheidsgeld krijgen moeten sollicitatieprocedures openbaar en doorzichtig zijn.”

Enkele projectmedewerkers vragen zich af of de algemeen secretaris en zijn vertrouwelingen niet te veel nadruk leggen op het lobbywerk en voorlichting, en of hij niet te veel macht concentreert in eigen hand. Mulder bevestigt dit: “Het algemeen en dagelijks bestuur krijgt steeds minder zicht op de gang van zaken binnen de Novib”.

Jarenlang schermde de Novib in projectenlijsten met de "bewustwording', nu distantieert Van den Berg zich van dit begrip. “Bewustwording is een te vaag begrip. We hebben dit jaar besloten om te spreken van voorlichting, training en onderwijs.” Deze koerswijziging is van belang. Van Gennip herinnert eraan dat sommige MFO's er vaak de voorkeur aan gaven om linkse politieke stromingen met bewustwordingsprojecten te steunen. Maar bij verkiezingen in landen als Nicaragua, Chili en de Filippijnen bleken hun "favorieten' steeds het onderspit te delven.

De Novib onderscheidt zich van de drie andere organisaties door meer dan ooit de nadruk te leggen op het politieke lobbywerk. “Armoedebestrijding blijft ons hoofddoel. Maar we willen niet alleen als bankier voor het Zuiden optreden en ons ook richten op politieke beïnvloeding in het Noorden”, aldus Van den Berg. Bij de Novib houden acht medewerkers zich bezig met het beïnvloeden van politieke besluitvorming in Den Haag en Brussel. De lobbyisten worden betaald uit eigen fondsen van de Novib. Bij GATT-besprekingen over de wereldhandel of de schuldencrisis wil de Novib opkomen voor de belangen van het Zuiden. In de maanden voor de wereldmilieuconferentie in Rio voerde de Novib een kostbare publiciteitscampagne voor inheemse volken, zoals de Indianen. Van den Berg is de architect van de lobby-afdeling die twee jaar geleden nog twee medewerkers telde. Quarles van Ufford zet vraagtekens bij deze koers. “Dat lobbywerk gaat ten koste van de concrete projectsteun. Het gaat zijn gang en komt op den duur los te staan van het eigenlijke werk in de Derde wereld.”

De Novib timmert vooral hard aan de weg met eigen fondswerving door zich sterk te manifesteren op de liefdadigheidsmarkt. In 1991 verkreeg de Novib 23 miljoen gulden uit eigen acties, en acht miljoen uit de postcodeloterij, die in 1990 nog maar 1,5 miljoen opbracht. “Deze bedragen moeten groeien”, zegt Van den Berg. “We hopen dat op den duur ongeveer een kwart van onze inkomsten uit eigen acties komt.” Maar de kostbare "No-Novib campagne' waarmee de Novib vaste donateurs wil verwerven is vooralsnog geen groot succes. De resultaten zijn, zo stelt de Novib, “achtergebleven bij onze verwachtingen”. Op de groeiende "chari-markt' in Nederland - bij acties voor ontwikkelingshulp goed voor circa 100 miljoen gulden - heerst een zeer felle concurrentieslag. De Novib moet het opnemen tegen organisaties als Artsen zonder Grenzen, Foster Parents, Unicef, Mensen in Nood en in mindere mate ook het Wereldnatuurfonds (WFN). Van elke ingezamelde gulden wordt gemiddeld vijftien cent geïnvesteerd in behoud en vergroting van de fondsverwerving. Succes van elke actie wordt in belangrijke mate bepaald door toegang tot de televisie. Artsen zonder Grenzen boekt succes bij Veronica en Unicef bij zowel Veronica als RTL-4. De Novib heeft bij haar actie voor Indianen ruimte bij de VARA, en gaat nu in zee met de AVRO voor een programma over het Amazonegebied.

Voor J. Dijkstra, directeur van het wat kleinere Hivos, liggen zulke kostbare acties buiten bereik. “Als je daaraan wilt meedoen moet je er scheppen geld in stoppen. Het Hivos kan dat niet aan. De oude verzuilde omroepen bestaan niet meer. Je moet wel goede kijkcijfers halen. De liefdadigheidsmarkt is in Nederland relatief groot. Maar je moet steeds meer met je ellebogen werken.” Het Hivos beperkt zich tot het medefinancieren van het VPRO-radioprogramma "Standplaats'. Maar Dijkstra heeft ook inhoudelijke bezwaren tegen grote televisieacties. “Het is allemaal wat ééndimensionaal. De Derde wereld is meer dan televisieplaatjes van Indianen met veren.” Ook G. Van Pijkeren, lid van het algemeen bestuur van de Novib, vindt deze ontwikkeling bedenkelijk. “In pakweg één jaar is de gepropageerde revolutionaire verandering als boegbeeld voor de Derde wereld vervangen door televisie-artiesten die in een video-club de Derde wereld versmallen tot een kans voor een kind”, zo stelt hij in zijn notitie "Bedrijfstak tussen hoop en vrees' voor Clat-Nederland, dat zich inzet voor vakbonden in Latijns Amerika. “Bekende Nederlanders noteren onze gulle gift met een lach en een traan. En wie geluk heeft houdt er een winnend lot uit de loterij aan over.”