Ontdekkingstocht in de de oogbol

Museum Boerhaave: Lange St. Agnietenstraat 10 (loop door de Haarlemmerstraat en let op de spandoeken die naar het museum wijzen). Oog in oog is te bezichtigen tot 29 november. Door de week van 10 tot 17 uur, op zondagen van 12 tot 17 uur. Maandags en op 3 oktober gesloten.

Meten is weten. Het is een bekend principe in de natuurwetenschap, maar het drong pas halverwege de vorige eeuw in de oogheelkunde door. Drie artsen, met hun basis in de militaire geneeskunde, hebben de metende oogheelkunde gegrondvest: de Duitsers Von Graefe en Helmholtz en de Nederlander Donders.

Het Leidse natuurwetenschappelijk museum Boerhaave heeft een tentoonstelling ingericht over diagnostische oogheelkundige apparaten die sinds 1850 in gebruik zijn geweest en met de oudere oogmodellen van voor die tijd die lieten zien hoe het oog in elkaar zat en welke oogafwijkingen een medicus allemaal kon tegenkomen. Die oude tekeningen en modellen maken ook duidelijk hoe moeilijk het is geweest om door onderzoek aan snel vervallende dode ogen de werking van het oog te achterhalen.

Het meetinstrument deed zijn intrede in de oogheelkunde toen H. von Helmholtz in 1850 een bruikbare oogspiegel liet bouwen. Met een oogspiegel kon voor het eerst in het levende oog worden gekeken. De oogarts kon nu veel oogziekten in een vroeg stadium ontdekken, voor ze van buiten zichtbaar werden.

Helmholtz werd weliswaar tot arts opgeleid, maar heeft vooral als fysicus gewerkt. Zijn ontdekking van de oogspiegel is ook de oplossing van een natuurkundig raadsel: hoe werp je door een nauwe opening (de pupil) licht in een donkere kamer (de oogbol) en kun je tegelijkertijd bekijken wat er binnen gebeurt. De enige oplossing is om met de lichtstraal mee te kijken en daarom bouwde Helmholtz een spiegel met een gat erin. Als de spiegel een lichtbundel het oog inkaatst en de oogarts van achter de spiegel door het gaatje kijkt, ziet hij in een van binnen verlichte oogbol.

Von Helmholtz richtte zich spoedig daarna op de geluidsleer en publiceerde prachtig natuurkundig werk over de trillingenleer. Von Graefe en Donders exploiteerden de oogbol. De binnenzijde van de achterkant van het oog, de fundus, werd ontdekt als plaats waar suikerziekte en hoge bloeddruk te diagnostiseren zijn.

Op de tentoonstelling van het Boerhaave zijn wel dertig oogspiegels te zien, in 20 jaar tijd door evenzoveel Duitse, Engelse, Franse en Nederlandse oogartsen ontwikkeld. De samensteller en wetenschappelijk medewerker geneeskunde van Boerhaave drs. K.S. Groos: "Met deze vitrine wil ik ook laten zien dat eigenwijsheid een belangrijke eigenschap is binnen de medische stand. Deze oogspiegels wijken nauwelijks van elkaar af, maar toch moest iedereen zijn eigen ontwerp hebben.'

Marskramer

F.C. Donders werd opgeleid aan de militair geneeskundige school in Utrecht, die in 1835, toen Donders ging studeren, een veel hogere status had als het kort daarvoor opgerichte academisch ziekenhuis, een conglomeraat van op de liefdadigheid en armenzorg gestoelde gasthuizen.

Donders is de eerste die zijn patiënten met een objectieve methode aan een bril met de juiste scherpte kon helpen. Het aanmeten van een bril is een probleem omdat door het accomoderen van de ooglens de sterkte ervan verandert. Een patiënt die een bril op krijgt van een sterkte die niet te veel afwijkt van wat hij nodig heeft zal een zeker traject scherp kunnen zijn door te accomoderen. Zo werden brillen vroeger ook uitgezocht. De marskramer kwam met een mand vol brillen langs en wie er een nodig had paste net zo lang tot er een exemplaar tussen zat waardoor het gezichtsvermogen verbeterde. De bedoeling is echter dat een ongeaccomodeerd oog in de verte net scherp ziet, ook door een bril.

Donders ontwikkelde de phacodoscoop, waarmee hij de kromming van ooglenzen kon meten. Hij was ook de eerste die systematische oogmeting toepaste door de patiënt pasglazen voor te houden. Veel oogartsen doen dat nog steeds ("Is dit beter, minder, of gelijk?').

Donders bedacht de refractometer waarin de patiënt in de verte moet kijken en een roosterschaduw op de binnenzijde van zijn oogbol krijgt geprojecteerd. De arts kijkt door lenzen van verschillende sterkte tot hij het schaduwbeeld scherp ziet. Oogartsen noemen dit wel een objectieve methode om de refractie te meten, maar in feite wordt de subjectieve waarneming van patiënt naar arts verplaatst.

Tegenwoordig zijn er ook automatische refractometers. Op de tentoontstelling staat er een en iedereen kan er zijn ogen door laten meten. Uitdrukkelijk wordt ervoor gewaarschuwd dat het afgegeven recept geen brilrecept is.

Ogen in een doos

Prachtige oogmodellen (de gipsen oogziektemodellen van Thibert bijvoorbeeld: zes zieke ogen in een doos) en apparaten staan er op de tentoonstelling in het Boerhaave, veel in vitrines, maar vaak op gemiddelde ooghoogte zodat er toch nog doorheen te kijken is. Grooss: "Daar ontstaat het zogenaamde vette-neuzen-glas.' Enkele grotere apparaten staan vrij opgesteld.

Een daarvan is een grote elektromagneet waarvan de poolschoen in een kleine, enigszins afgeplatte punt eindgt. Het was een geschenk van Stork's machinefabrieken aan de Utrechtse ooglijderskliniek. Alle arbeiders van Stork die een metaalsplinter in hun oog kregen kwamen voor behandleing in de Utrechtse kliniek. En als het niet anders kon werd de splinter met de magneet uit het oog getrokken. De magneet heeft waarschijnlijk veel gezichtsverlies voorkomen.

Hoewel het principe van het apparaat, en de stralengang erin, meestal eenvoudig en snel te begrijpen is, zou, naast de toelichting over bedenker, bouwer en bouwjaar, uitleg van de optica de tentoonstelling sprekender hebben gemaakt.

De instrumenten komen uit een grote collectie in het Deutsches Medizinhistorisches Museum in Ingolstadt, uit het voormalig Koninklijk Nederlands gasthuis voor Ooglijders in Utrecht, uit de afdeling Oogheelkunde van het Academisch Ziekenhuis Leiden en uit de eigen collectie van het Boerhaavemuseum. Een collectie van deze omvang en compleetheid is voor het eerst bijeen.

Grooss: "De collectie van oogheelkunde in Leiden stond op een zolder die zorgvuldig op slot werd gehouden. Wij waren de eersten die er weer op mochten en vonden er veel wat in andere collecties ontbrak. Plaatjes en letterkaarten bijvoorbeeld om gezichtsscherpte te testen. Rijp en groen lag er door elkaar, terwijl in collecties de aandacht vaak op de mooie apparaten is. Dit was typisch een collectie van spullen die zijn bewaard. Op gegeven moment moet er dan een hoogleraar zijn die de zaak, met het oog op een later museum van de eigen kliniek, op zolder zet en de deur op slot doet. Want open zolders van instituten zijn vrij jachtgebied en op het laatst vind je dan alleen de mooie stukken nog op schoorsteenmantels of op hoogleraarskamers.'

Foto's: Links ivoren oogmodel, 18e eeuw

Onder optometer volgens Birkhäuser