Kleists tragi-komedie Amphitryon blijft bij Grüber mooi in balans

HF: Voorstelling: Amphitryon van Kleist door Schaubühne am Lehniner Platz. Regie: Klaus Michael Grüber. Spel: Peter Simonischek, Gerd Wameling, Otto Sander, Udo Samel, Jutta Lampe, Imogen Kogge. Gezien: 17/6, Stadsschouwburg, A'dam. Nog te zien: 18/6

Geleidelijkheid is het sleutelbegrip van Klaus Michael Grübers enscenering van Heinrich Von Kleists Amphitryon bij de Schaubühne am Lehniner Platz. Veranderingen in licht en decor, in de dramatische ontwikkeling, in het gebruik van muziek en in het spel voltrekken zich alle even subtiel, nauwelijks merkbaar soms. Het duurde even voor ik in de gaten kreeg, dat het grote ronde plateau in het midden van de speelvloer daadwerkelijk draaide. Pas toen ik erop ging letten, zag ik de spelers erop soms kleine stapjes zijwaarts maken om ogenschijnlijk op dezelfde plek te kunnen blijven staan.

Dat geleidelijkheid Grübers richtsnoer is geweest, is verstandig. Amphitryon (1807) heet een tragi-komedie te zijn - wat het ook is - maar in handen van een onbedrevener regisseur dan Grüber valt het gemakkelijk uiteen in een tragedie en een komedie. Dat gebeurde toen Hans Croiset het voor toneelgroep De Appel ensceneerde, vijf jaar geleden. De gedaanteverwisselingen waarom het stuk draait spelen zich op identieke wijze af in twee sociale milieus: die van de meester en die van de knecht. De verleiding de knecht te laten excelleren in strapatsen is, gezien ook de zowaar grappige tekst van de bijna spreekwoordelijke tobber Kleist, groot. Net zo groot als de neiging om het identiteitsverlies van de meesters zwaar aan te zetten.

Maar de balans mag naar geen van beide kanten uitslaan, wil het stuk recht gedaan worden. Zoals de mythe het wil, daalt de god Jupiter af naar de aarde in de gedaante van de veldheer Amphitryon, vlak voor diens terugkeer van een veldslag. Hij brengt de nacht door met Alkmene, Amphitryons vrouw. Als de ware Amphitryon zich presenteert, reageert Alkmene vanzelfsprekend niet als de onbestorven weduwe die zij de dag ervoor nog was. De verwijdering ontkiemt, de verwarring is groot, bezitsdrift komt lijnrecht te staan tegenover trouw in de gedaante van ontrouw. Omdat bovendien de god Mercurius zich uitgeeft voor de knecht Sosias, weet geen van de karakters nog wie zijzelf zijn, noch wie de ander is.

De thematiek van het stuk - het verstoorde menselijke contact - maakt Kleist tot een modern schrijver, Grüber maakt van hem ook een modern toneelschrijver. Zijn enscenering, een enigszins verkorte versie van het stuk, blinkt uit in beheersing en dosering. Het decor (van Gilles Aillaud) is een simpele, blauwe, halfronde achterwand. In het midden rust het scheefhangende plateau, waarachter men, als de hoogste zijde wegdraait, gedempt rood licht, als van verschillende horizonten, waarneemt. Kale takken langs de rand van het speelvlak en een nu en dan fel oplichtende maan completeren het toneelbeeld.

Zelden ziet men zulke mooie belichting als in deze voorstelling. Die heeft effecten waarvan men zich op het moment zelf niet bewust is. Het toch vrij gedurig wisselende lichtdecor (van wie vermeldt het programmaboekje niet) heeft net als de onbestemde muziek op de achtergrond een kalm, subtiel ritme. Geen van beide is spectaculair, uitgesproken onheilspellend of vrolijk; het zijn nauwelijks opvallende middelen die niettemin in sterke mate de sfeer van de voorstelling bepalen. Dat een monoloog van Alkmene begeleid wordt door muziek, blijkt pas als de monoloog en dus de muziek stopt.

Hoewel Grüber zich kolderieke scènes permitteert, toont hij zich toch vooral fijnzinnig. Alkmene (Jutta Lampe) laat hij aan het begin opkomen verstopt onder de mantel van Jupiter. Verstopt is het woord trouwens niet: ze is er ineens en dan pas begrijpt de toeschouwer hoe. In dat ene moment ligt de intimiteit van de gewraakte nacht besloten, simpel en doeltreffend. En dat geldt, uiteraard zou ik bijna zeggen, ook voor het spel. Udo Samel speelt Solsias even aanstekelijk als ingehouden en Otto Sander is een weliswaar heetgebakerde maar waardige Amphitryon. En Jutta Lampe, naar wiens rol bewerkingen van de mythe ook wel vernoemd worden, is een verademing.

Ze praat gewoon, ze loopt gewoon, ze kijkt gewoon. En toch trekt ze alle aandacht en toont ze blijdschap, ontgoocheling en vertwijfeling. Alkmenes fameuze “Ach!”, aan het slot van het stuk, is wat dat betreft voorbeeldig. Ze is alleen achtergebleven op het toneel, loopt nog wat rond en komt dan voren. Langzaam sluit zich het doek: voor of achter haar is de vraag. Ze kijkt op, wacht nog even en zegt het woord op een toon die in het midden laat of het een verzuchting is of een blijk van berusting. Weer wacht ze even om zich, vlak voor het doek dichtvalt, pas om te draaien. Prachtig.