Kennis is macht

Kennis en politiek. Verschuivende begrippen, nieuwe realiteiten. Themanummer van Kennis & Methode, jaargang 16, nummer 1. Vier maal per jaar verschijnend tijdschrift voor wetenschapsfilosofie en wetenschapsonderzoek, uitgegeven door Boom Meppel. Abonnement: ƒ 86. Inl.: 05220-66199.

Kennis is macht. Ook buiten kringen van wetenschappers is deze zegswijs gemeengoed. Of misschien moet je zeggen: vooral buiten kringen van wetenschappers. Want degenen die onderzoek doen naar kennis - kennissociologen, wetenschapsfilosofen, of met een modernere term wetenschapsonderzoekers - zijn over het algemeen heel andere mensen dan degenen die onderzoek doen naar macht - politicologen en bestuurskundigen. Ze zitten in verschillende vakgroepen, hanteren verschillende theoretische kaders, publiceren in verschillende tijdschriften en lezen elkaars publikaties niet.

Wetenschap, gaat over feiten; politiek over waarden en normen. Vooral vanuit het wetenschapsonderzoek is het onderscheid tussen feiten en waarden de laatste decennia echter zwaar onder vuur komen te liggen. Dat feiten, ook wetenschappelijke feiten, menselijke constructies zijn en geen à priori gegevenheden die erop liggen te wachten ontdekt te worden, is in brede kring van wetenschapsonderzoekers gemeengoed geworden. Over de grenzen van die constructies en over de consequenties ervan lopen de meningen overigens zeer uiteen.

Een belangrijk ijkpunt in het moderne wetenschapsonderzoek is het werk van de Fransman Bruno Latour. Zijn radicaal constructivistische opvatting (""Wetenschap is oorlog en dient dienovereenkomstig bestudeerd te worden.'') wordt weliswaar slechts door weinigen ten volle gedeeld, maar door velen ten dele bestreden. Latour bestudeert het proces van gelijk krijgen in de wetenschap en stelt zich daarbij geheel onverschillig op ten opzichte van de methoden die een wetenschapper gebruikt om gelijk te krijgen. Die houding laat zich uiteraard gemakkelijk overplanten naar processen van consensusvorming in andere maatschappelijke domeinen, zoals de politiek. Omdat het bij Latour uitsluitend gaat om gelijk krijgen en niet om gelijk hebben, kan zijn visie worden gebruikt om totalitaire regimes te legitimeren, vinden sommigen van zijn critici.

In elk geval zetten dat soort debatten de traditionele afbakening tussen de domeinen van feiten en waarden, tussen wetenschap en politiek, tussen kennis en macht, op losse schroeven. En daarvan raakt de gevestigde politicologie nog niet erg doordrongen, aldus de samenstellers van het themanummer dat Kennis & Methode heeft gewijd aan kennis en politiek. In de marge van de politieke wetenschap - met name in vrouwenstudies, homostudies en etnische studies - vindt het constructivisme wel weerklank. Dat is niet verwonderlijk, want de relativering van het onderscheid tussen feiten en waarden vormt uiteraard een welkom uitgangspunt voor degenen die erop uit zijn om bepaalde sociale en politieke feiten betwistbaar te maken.

Impliceert Latours relativisme het einde van de democratie? Geldt wanneer je het rationalisme op de vuilnishoop gooit alleen nog maar cynisme en het recht van de sterkste?

In een boeiende, als dialoog geschreven bijdrage laat de filosoof Tjalling Swierstra zien dat dat niet hoeft. De houding om bij de bestudering van een wetenschappelijke controverse beide partijen in hun waarde te laten (zoals Latour doet) en niet de overwinnaars met terugwerkende kracht het alleenrecht op rationaliteit, waarheid en objectiviteit toe te kennen, getuigt wel degelijk van een ethische norm, betoogt Swierstra. Hij spreekt van "krijgersethiek'. De tegenstander is tegenstrever, maar daarom nog niet slecht in morele zin.

Een andere vorm van ethiek die Swierstra in het werk van Latour bespeurt is de "democratische ethiek': In een van diens sleutelwerken Science in action richt Latour zich ook tot een breed publiek en ontmaskert de epistemologische en normatieve rechtvaardiging van de machtsclaims van de wetenschap, opdat "gewone burgers' kritischer en weerbaarder worden.

Dat kennis en macht in praktische kwesties moeilijk scheidbaar zijn blijkt uit enkele empirisch georiënteerde bijdragen in het themanummer. Zo gaat Arie Rip in op risicocontroverses. Wetenschappelijke inzichten in aard, ontstaan en omvang van risico's, en technieken om risico's gestandaardiseerd te schatten zijn van belang om onzekerhed te reduceren en te vervangen door procedures en regels zoals bureaucratieën die wensen. Anderzijds houden wetenschappelijke experts bij hun stellingnames rekening met maatschappelijke implicaties. Zo werden de normen voor dioxine-opname na de vondst in de Volgermeermeerpolder aanzienlijk versoepeld tot net boven het niveau van de verontreiniging in die polder. Kennelijk was dat mogelijk zonder de wetenschappelijke "feiten' al te veel geweld aan te doen.

In een artikel over het gebruik van metaforen in de discussie over het broeikaseffect laten Marco van de Ven en Chunglin Kwa zien dat wetenschappelijke onzekerheid ook met politieke middelen kan worden gereduceerd, namelijk door het "voorzorgprincipe'. Dit houdt in dat alvast tot actie wordt overgegaan, ook al zijn de te verwachten effecten nog niet zeker. Uit allerlei case-studies blijkt een verwevenheid tussen wetenschap en politiek. Volgens Rip is het tijd om een stap verder te gaan en te zoeken naar patronen in die verwevenheid.

Het themanummer van Kennis & Methode bevat enkele interessante bijdragen, maar het is de vraag of het ook aan zijn doel beantwoordt, namelijk de kloof tussen politicologie en wetenschapsonderzoek te verkleinen. Probleem is dat de etnografische wending in het wetenschapsonderzoek geen equivalent heeft in de politicologie. Er heeft nog geen antropoloog bij het kabinetsberaad gezeten. Er bestaat geen etnografie van politiek en beleid. Voor zover daartoe aanzetten zijn te vinden, moet je die waarschijnlijk eerder zoeken in de bestuurskunde dan in de politicologie. En die discipline is wellicht net wat te pragmatisch om aansluiting te vinden bij de theoretische hoogstandjes die het wetenschapsonderzoek de laatste jaren hebben voortgebracht, ook al hebben die zeer praktische consequenties.