Japan kiest niet meer het hazepad; Parlement keurde deelname aan vredesleger VN goed

TOKIO, 18 JUNI. Op 2 augustus 1990 viel Irak Koeweit binnen en ruim twee maanden later, op 16 oktober, diende de Japanse regering een wet in bij het parlement die, voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog, Japanse militaire operaties toestond in het buitenland.

De wet was het antwoord op groeiende internationale kritiek dat Japan een "freerider' was in de wereldgemeenschap. Door zijn passiviteit zou Japan profiteren van de inspanningen van anderen. De geallieerden, die het gangstergedrag van Saddam Hussein niet over hun kant wilden laten gaan, waren bereid mensenlevens op te offeren. Japan maakte achttien miljard gulden over.

De indiening van de wet was het begin van een langdurig, verward, bij tijd en wijle opportunistisch en weinig verheffend debat in het Japanse parlement, waarbij de linkse oppositie van socialisten en communisten zinspeelde op hernieuwd militair hegemonisme van Japan in Azië.

Belangrijkste vragen waren: wat moet de bijdrage worden van Japan om een einde te maken aan internationale conflicten en: is deelname wel of niet in strijd met de grondwet die gebruik van geweld voor het beslechten van internationale conflicten voor altijd verbiedt?

Nevenvragen, waar de meeste tijd in werd geïnvesteerd, luidden: moet het leger worden ingezet of een civiele organisatie; mag het in te zetten personeel wel of geen wapens dragen; mag wel of niet aan militaire operaties worden deelgenomen en wat moeten de soldaten doen als ze door guerrillastrijders worden aangevallen: terugschieten of het hazepad kiezen.

Deze week, twintig maanden later, werd een nieuwe, aangepaste wet door het Japanse Lagerhuis goedgekeurd. Daaraan waren stemmingen voorafgegaan die door obstructie van de socialisten eindeloos lang duurden. De socialisten stelden ten slotte al hun zetels ter beschikking, naar hun zeggen als bewijs voor hun parlementaire gezindheid, een nog nooit eerder vertoonde manoeuvre.

De nieuwe wet stipuleert drie belangrijke voorwaarden voor Japans deelname aan VN-vredesmissies: strijdende partijen in een conflictgebied moeten een staakt-het-vuren zijn overeengekomen; ze moeten instemmen met de Japanse deelname en de VN moeten Japan het verzoek doen op basis van een resolutie van de Algemene Vergadering en van de Veiligheidsraad.

Om een meerderheid voor de wet in het Hogerhuis te krijgen moest de regerende LDP een aantal concessies doen. De belangrijkste was dat deelname aan strikt militaire operaties, zoals stationering van troepen in bufferzones, verboden is totdat een nieuwe wet dit verbod opheft. De deelname van Japan zal in hoofdzaak neerkomen op logistieke steun zoals communicatie, transport, medische hulp, en toezicht op het staakt-het-vuren. Secretaris-generaal Boutros Boutros Ghali van de VN had al gezegd dat daaraan grote behoefte bestaat.

De Japanse landmacht heeft inmiddels plannen om 400 tot 700 manschappen naar Cambodja te sturen. Zo'n 30 officieren zullen daartoe worden opgeleid in een trainingskamp in Zweden. Nog eens 700 soldaten zullen worden ingezet voor logistieke steun, zoals het veiligstellen van de watervoorziening ter plaatse. Vijf compagnieën zullen elke drie maanden worden afgewisseld door verse troepen.

Onzeker is nog of Japan personeel kan leveren voor het toezicht op de Cambodjaanse politiemacht van 40.000 personen. Tot nu toe hebben dertien landen het verzoek van de VN gehonoreerd. De toezichthouders moeten Engels of Frans spreken en Japanners spreken over het algemeen alleen Japans. Japan is ook gevraagd 140 man personeel te sturen voor toezicht op de verkiezingen in Cambodja, die volgend jaar worden gehouden. Volgens de nieuwe wet mogen per missie maximaal 2.000 manschappen mee, officieren inbegrepen.

Japan voelt zich nauw betrokken bij de pacificatie van Cambodja, het betaalt 30 procent van de VN-vredesmissie en het levert met Yasushi Akashi een Japanner als hoofd van de VN-vredesmacht.

Op het ministerie van buitenlandse zaken in Tokio is men blij met de nieuwe wet, maar een direct verband met de vurige Japanse wens lid te worden van de Veiligheidsraad wordt tegengesproken. De Japanse regering rekent er wel op dat het parlementaire besluit het prestige in de Verenigde Naties zal vergroten en de samenwerking met Amerika gunstig zal beïnvloeden. Voor de economische supermacht Japan, die zoekt naar zijn rol in het post-Koude-Oorlog-tijdperk en die zich ergert aan Westerse kritiek op vermeende politieke impotentie, is dat een bijkomende, maar niet te onderschatten winst.