Gymnasium

De heer Jan Best, uitgever te Amsterdam, lucht in zijn lezerbrief (W&O 4-6-92) frustraties over de klassieke vorming op gymnasia. Met name richt zijn irritatie zich tegen de wijze, waarop deze z.i. wordt beargumenteerd.

Daarbij bevecht JB naar mijn indruk Potjomkinse dorpen - schimmen, dus. Ik tenminste heb nooit een classicus zijn vak horen aanprijzen met een beroep op ""robuuste maar eerlijke Romeinen'' en ""geestelijke superioriteit van de oude Grieken''.

Daarentegen kwam wel duidelijk het aankweken van een bewustzijn voor de belangrijkste bakermat van onze beschaving naar voren, alsmede voor paneuropese denkrichtingen, die in de klassieke Oudheid hun wortels hebben.

Wij leerden dat men niet alleen de cultuur van Europese volkeren (ook van het eigen volk) maar ook de taal niet naar waarde kan schatten, als men zich niet op het verleden bezint.

Het is m.i. een simpel feit, dat door klassieke vorming het gevoel voor de eigen alsook voor vreemde talen ongemeen wordt bevorderd.

Voor mij bestaat er een evident verband tussen b.v. de problemen, die het Duits bij velen oproept, en het ontbreken van kennis van de klassieke talen. Dit geldt waarschijnlijk voor alle taalstudies.

Een klassieke vorming belet ons ook, met de eigen taal en die van andere volkeren verwoestend en minimalistisch om te gaan; tevreden te zijn met het "sukses', dat de gesprekspartner ""weet wat ik bedoel''.

Ik denk dat de gevaarlijke geringschatting van geschiedkundig inzicht en de verwaarlozing van het vak Geschiedenis in instellingen van onderwijs hand in hand gaan met het verlies van de zin voor klassieke vorming.

Misschien is hier wel sprake van een rampzalige wisselwerking. Maar dat is weer een ander chapiter.