Extra kalk helpt bij ratten tegen dikke-darmkanker

John A. Lapré, Dietary calcium as a possible anti-promoter of colon carcinogenesis, 1992.

Een kalkrijk dieet zou een belangrijk wapen kunnen worden in de strijd tegen de dikke darmkanker. Dat blijkt uit het proefschrift van John Lapré die onlangs aan de Landbouwuniversiteit Wageningen promoveerde. Voorlopig is hij zelf echter voorzichtig: "Voor een advies om extra kalk aan de voeding toe te voegen is het nog te vroeg. Maar ik zou ook niet aanraden om de aanbevolen dagelijkse kalk-inname te verlagen. Vanuit mijn proefschrift geredeneerd is die dosis nu al aan de lage kant.'

Lapré onderzocht of meer kalk (calciumfosfaat of calciumcarbonaat) in de voeding de kans op dikke darmkanker verkleint.

Dikke darmkanker (coloncarcinoom) is een typische welvaartsziekte die in rijke Westerse landen veel vaker voorkomt dan in arme landen. Uit onderzoek onder mensen die naar een westers land geëmigreerd zijn is herhaaldelijk gebleken dat dan het risico op colonkanker binnen enkele tientallen jaren oploopt en tenslotte gelijk wordt aan dat van de bewoners van het gastland. Het wijst erop dat omgevingsfactoren een belangrijke rol spelen bij het ontstaan van deze kanker.

Tekort aan vezels

Algemeen wordt de verhoogde kans op darmkanker toegewezen aan het teveel aan vet en tekort aan vezels in het westerse dieet. De frequentie van dikke darmkanker loopt keurig gelijk op met de vlees- en de vet-consumptie. Zo was colonkanker in Japan tot voor kort betrekkelijk zeldzaam, maar nu ook daar het hamburger-dieet ingeburgerd raakt komt deze ziekte veel vaker voor.

De laatste jaren is uit epidemiologisch onderzoek naar het voorkomen van colonkanker in verschillende regio's gebleken dat er nog meer omgevingsfactoren zijn. Cedric en Frank Garland toonden in 1980 aan dat er in de Verenigde Staten een duidelijke noord/zuid gradiënt voor colonkanker bestaat. In het noordoosten van Amerika komt de tumor drie keer zo vaak voor als in het zonnige zuiden, en dit geldt zowel voor de stad als voor het platteland.

Een verklaring zou kunnen zijn dat de bevolking van zuidelijke streken onder invloed van het zonlicht meer vitamine D produceert en dat deze stof, of wellicht de hogere calcium-opname die daar het gevolg van is, beschermend werkt tegen colonkanker.

Later is uit dieet-studies gebleken dat er een duidelijke relatie bestaat tussen het voorkomen van colonkanker en het gehalte aan calcium (en onafhankelijk daarvan, vitamine D) in het dieet: bij een calcium-opname van 1500 milligram per dag was het risico op colonkanker meer dan de helft lager dan dat bij een opname van rond de 500 mg per dag.

Lapré, werkzaam op het Nederlands Instituut voor Zuivelonderzoek (NIZO) in Ede, heeft naar een fysiologisch mechanisme voor het gevonden epidemiologisch verband gezocht. Zijn hypothese was dat door een te vet dieet galzuren en vetzuren in die darmwand vrijkomen die de cellen in de darmwand beschadigen (cytotoxiciteit). In reactie daarop gaan de toch al snel groeiende cellen van het colonepitheel sneller groeien. Het risico op mutaties in de chromosomen neemt dan toe en daardoor de kans op kanker. In de reageerbuis bleek dat galzouten en vetzuren in concentraties zoals die normaal in de darm voorkomen celversterf veroorzaken.

Hoogrisico voer

Het vervolgonderzoek werd gebaseerd op analyse van de uitwerpselen van ratten geanalyseerd, die Westers, hoog-risico-voer met verschillende concentratries calcium aten. Zo kon men meer te weten te komen over het mechanisme waarmee calcium de groei (proliferatie) van het colonepitheel en tumorvorming voorkomt. De uitwerpselen werden daartoe aangelengd met water om er de beschadigende bestanddelen uit op te lossen.

Het blijkt dat dit vocht - faecaal water - door een overmaat aan vet in de voeding aanzienlijk giftiger is voor darmcelkweken in de reageerbuis. Er kwam meer celversterf in de darmwand voor en het aantal celdelingen om dit verlies te compenseren nam duidelijk toe.

Het dieet werd vervolgens aangevuld met calcium. Deze stof bleek op een dosis-afhankelijke wijze de cytotoxiciteit van het faecale water te verlagen. In de uitwerpselen kon een neerslag van tot calciumzeep gebonden galzouten en vetzuren aangetoond worden. Bij ratten blijkt extra kalk dus de schadelijke effecten van een vetrijk dieet tegen te gaan.

Het maakte overigens wel uit wat voor soort vet er in het dieet zat. Bij boter (melkvet) en margarine met verzadigde vetzuren (palmolie) had calcium een beschermend effect, maar als er dieetmargarine met meervoudig onverzadigde vetzuren (linolzuren) gebruikt werd, dan hielp calcium niet. Wellicht komt dit doordat linolzuur slechter aan calcium bindt. Er zijn ook aanwijzingen dat linolzuur als een soort groeifactor werkt en dus op heel andere manier celproliferatie veroorzaakt dan de andere vetzuren. Dit zou dan verklaren waarom een dieet met een hoge concentratie plantaardige oliën bij proefdieren vaker colonkanker veroorzaakt.

1000 mg per dag

Tot slot werd er in samenwerking met het Academisch Ziekenhuis Groningen nog een experiment gedaan met twaalf menselijke vrijwilligers. Deze kregen twee weken lang dagelijks 1400 milligram calcium in tabletten toegediend. Die dosis kwam bovenop hun gebruikelijke voedsel, dat al betrekkelijk veel calcium bevatte. Het calciumgehalte in hun gewone eten was gemiddeld 1200 mg per dag, terwijl de gemiddelde Nederlander 1000 mg per dag binnenkrijgt (de aanbevolen dagelijkse opname voor een volwassene is 800 mg per dag).

Tot verbazing van de onderzoekers bleek het extra calcium, ondanks de al hoge opname in hun oorspronkelijke dieet, toch nog een beschermend effect op te leveren: de concentratie vrije vetzuren en de cytotoxiciteit gingen omlaag. De ratten kregen overigens een nog veel hogere extra dosis. Hun voer bevatte 225 micromol calciumfosfaat per gram. Dat komt ongeveer overeen met een dosis van 4500 mg per dag voor een mens.

Waarom is John Lapré dan toch nog huiverig voor voedingsadviezen? Lapré: "Het was een pilot study, waarbij we alleen keken naar de effecten in de darmholte. We hebben bij deze vrijwilligers niet kunnen kijken naar de gevolgen voor de celproliferatie. Als we uiteindelijk een voedingsadvies geven dan moeten we heel precies weten hoe het in zijn werk gaat. Laboratoriumonderzoek, diermodellen en studies bij de mens moeten dan allemaal met elkaar kloppen.'

Reusachtige groep

John Lapré werkt daar nu verder aan bij het NIZO, dat hiervoor samenwerkt met het Academisch Ziekenhuis in Groningen. Daar wordt nu extra calcium gegeven aan mensen die familieleden met colonkanker hebben en daardoor zelf ook een verhoogd risico lopen. Het NIZO doet het biochemische onderzoek en bekijkt wat er gebeurt in de darmholte. Gekeken wordt of calcium ook bij deze mensen de celgroei tegengaat. Eigenlijk is dan nog steeds niet bewezen dat met extra calcium dikke darmkanker wordt voorkomen. Daarvoor zou een reusachtige groep mensen tientallen jaren lang voortdurend een vast voorgeschreven dieet moeten aanhouden en dat is praktisch onuitvoerbaar.

Er zijn overigens ook onderzoekers die menen dat extra calcium mogelijk gevaarlijk is. Het is namelijk nog niet precies duidelijk waar calcium zijn beschermend effect uitoefent. Als calcium alleen de normale celgroei tegengaat maar niet die van kankercellen, dan zou dat voor nog onopgemerkte kankercellen een selectief groeivoordeel opleveren, waardoor ze harder gaan groeien (The Lancet, 4 april 1992).

Het is duidelijk dat er met zoveel onzekere factoren nog geen dieetadvies gegeven kan worden. Toch lijkt iets meer calcium dan de nu aanbevolen 800 mg per dag wel op zijn plaats. Kortom, drink melk (600 mg calcium in een halve liter), eet groenten (100 mg in 200 gr) en bruin brood (80 mg in 200 gr). Met de vezels en het vet zit het dan ook gelijk goed. De vasthoudende liefhebber van een "vette snelle hap' doet er goed aan om alles met een stevig glas melk weg te spoelen. En misschien kan Coca-Cola een calciumverrijkte Light proberen.