Een oppervlakkige blik achter de muren van het Kremlin

The Inner Circle (Il proiezionista). Regie: Andrei Konchalovsky. Met: Tom Hulce, Bob Hoskins, Lolita Davidovich, Alexandre Zbruev. In: Amsterdam, The Movies 1; Utrecht, Springhaver; Tilburg, Cinecitta.

Twaalf jaar na zijn laatste Russische film Siberiade, een hoogtepunt in een sindsdien gestaag bergafwaarts glijdende carrière, keerde Andrei Konchalovsky terug naar Moskou om er The Inner Circle op te nemen. De Engels gesproken, door Italianen gefinancierde produktie, waarin een groot aantal Russische bijrollen nagesynchroniseerd moesten worden, belooft een interessant thema: het Stalin-regime van binnen uit geportretteerd door de ogen van een van zijn trouwste medewerkers, een filmoperateur in het Kremlin die op zeker moment zijn vrouw bekent meer van Stalin te houden dan van haar.

Het best slaagt Konchalovsky in zijn opzet wanneer hij de "petite histoire' in herinnering roept. Stalin, Beria en de andere leden van het politbureau lieten zich regelmatig films voordraaien in een speciale filmzaal. Het is bekend dat daar niet alleen propagandafilms en odes aan de revolutie gedraaid werden. Men kon een melodrama of een musical op waarde schatten, zoals Konchalovsky laat zien bij de projectie van de Hollywoodbiografie van Johann Strauss, The Great Waltz. Het angstige zwijgen in het gezelschap van de leider, de medewerkers van de speciale KGB-eenheid die zich direct na het vertrek van de hoge gasten in de fauteuils neervlijen en van de hapjes beginnen te snoepen, de ziekelijke bewondering van de operateur voor zijn meerderen, dat alles maakt een redelijk authentieke indruk.

Maar Konchalovsky had hogere ambities. Hij wilde ook een film maken over de zelfverkozen slachtofferrol van het Russische volk, de bereidheid tot verraad en zelfvernedering, de oogkleppen van meerdere generaties die geen kwaad woord wilden horen over hun leidsman. Er vielen vele tientallen doden in het gedrang van de wachtenden, die de opgebaarde Stalin in 1953 de laatste eer wilden bewijzen. Konchalovky symboliseert deze hondetrouw door de operateur, als een schematische slaaf gespeeld door Tom Hulce, te laten wonen in de straat die naar het abattoir leidt. Op gepaste momenten zijn door de ramen van het appartement de kuddes koeien te zien op weg naar het einde.

In de meeste van zijn Amerikaanse films, van Maria's Lovers tot Tango & Cash, is die veel te zwaar aangezette toon van de thans in Parijs wonende, tot Fransman genaturaliseerde Konchalovsky ook hinderlijk aanwezig. Zijn films beschikken over de subtiliteit van een moker, ook al schemert er altijd nog wel iets door van de creativiteit en opstandigheid van de maker van De eerste leraar, Asiya's geluk en Siberiade.

De internationale oriëntatie van de ex-Rus, die zich niet zelden vertaalt in een gretigheid om met grote budgets en belangrijke sterren onbetekenende scenario's te verfilmen, speelt Konchalovsky ook parten bij zijn terugkeer in het vaderland. De bescheiden rol van Bob Hoskins als de hitsige KGB-chef Beria, geheel volgens de verwachting ook hunkerend om de vrouw van de operateur in zijn speciale treincoupé van haar eer te beroven, is een bekwaam uitgevoerde, maar veel te gemakkelijke karikatuur. Het lijkt wel of Konchalovsky weer eens snel genoegen heeft genomen met hetgeen hem aangeboden werd: een fors budget, tot voor kort onbereikbare, authentieke locaties in het Kremlin en het KGB-hoofdkwartier en een handvol internationale sterren moeten hem hebben verblind voor de zwaktes in het eigenhandig geschreven scenario.

Het is doodzonde van het op papier zo intrigerende onderwerp. De documentaires van iemand als Aranovitsj, waarin lijfwachten en andere naaste medewerkers van Stalin geïnterviewd werden en nog geen spat veranderd bleken, hebben nieuwsgierigheid doen ontstaan naar de motieven van een dergelijke bewustzijnsvernauwing. Om die werkelijk te ontleden is meer precisie en vasthoudendheid vereist dan deze voor de internationale bioscoopmarkt vervaardigde, oppervlakkige film mogelijk maakte.