DE 19-EEUWSE MEUBELKUNST GEÏNVENTARISEERD; Het zitgevoel van de springveer

J.M.W. van Voorst tot Voorst Tussen Biedermeier en Berlage. Meubel en interieur in Nederland 1835-1895. 832 bladzijden, 2 delen. De Bataafsche Leeuw. Prijs ƒ 135,-. ISBN: 90 6707 298 2.

Tussen meubels en de manier waarop mensen zich bewegen, zich voelen, hoe zij denken zelfs, bestaat een nauw verband. In een hemelbed slaap je anders dan op een stretcher, en op twee broze salonstoeltjes verloopt een conversatie anders dan vanuit twee diepe clubfauteuils. Het is dan ook niet zo gek dat behalve de mentaliteit, ook het meubilair van de negentiende eeuw voor de mensen van onze tijd lang een beetje onbegrijpelijk, om niet te zeggen afkeurenswaardig is geweest. Het was allemaal te tastbaar, te stellig, te grof, het was (wat betreft de meubels) nep en neo, en wat betreft de ideeën: bekrompen.

Dat er de laatste jaren steeds meer waardering voor de negentiende eeuw ontstaat zegt ongetwijfeld iets over de hedendaagse mentaliteit, al moet je nooit te snel conclusies trekken. Maar vast staat dat kunsthistorici, voor zover zij zich met die periode bezighouden, niet langer als evangelisten bezig zijn om uitsluitend de voorlopers van de Moderne Tijd te zoeken en al het andere te negeren. Antiquairs lopen niet meer met een hautain bochtje om alles van na het Biedermeier heen - dat kunnen zij zich ook niet veroorloven, want het publiek vraagt om meer, meer, meer antiek. En er is in de negentiende eeuw heel wat antiek gemaakt.

Als om met een groots gebaar het definitieve einde te markeren van de geringschatting voor het negentiende-eeuwse meubel schreef J.M.W. Baron van Voorst tot Voorst Tussen Biedermeier en Berlage - Meubel en interieur in Nederland 1835-1895. Hij promoveerde onlangs in Leiden met het boek tot doctor in de kunstgeschiedenis. De kostbare handelseditie is met enige ophef op Paleis het Loo ten doop gehouden.

Maar als ooit een boek op een coffee table book heeft geleken zonder het te zijn, dan is dit het wel. Tussen Biedermeier en Berlage is een liefdevol gemaakt standaardwerk waar zowat alles in staat wat iemand over het onderwerp zou willen weten. Monnikenwerk.

Van Voorst laat bij voorbeeld zien op welke manier de vooruitgang van de techniek invloed heeft gehad op de negentiende-eeuwse meubelkunst: enorme invloed. Alleen al de uitvinding van de metalen springveer betekende een revolutie in het zitgevoel (”als je daar pof op neer valt vlieg je weer als een raket in de hoogte,” schreef iemand in 1854 over een fauteuil met springveren - grappig om een citaat uit die tijd met het woord raket er in te lezen). Ook de verspreiding van de fineerzaagmachine had verstrekkende gevolgen; daarvóór was het zagen van fineer duur betaald handwerk geweest, erna werden chic ogende gefineerde meubels ook voor de kleine burgerman bereikbaar.

Behalve de technische mogelijkheden was de groeiende welvaart van belang. Meubels kopen was in vroeger tijden iets voor een handjevol bevoorrechten geweest. Aan het eind van de eeuw kocht ook de middenklasse als het maar enigszins kon een ”ameubelement”, minstens een keer in zijn leven. Dat ameubelement, een complete inrichting voor één kamer in dezelfde stijl, is trouwens een typisch negentiende-eeuws verschijnsel, iets waarop verfijnde geesten van het begin af aan hebben neergekeken.

De variatie in functies en vormen van meubels kan nooit zo groot zijn geweest als in de tijd die hier behandeld wordt. Tabouretten en spiegelkasten, crapauds, chauffeuses, rookstoelen en etagères, canapés, pouffes, desserttafeltjes en kaarttafels, kamergemakken (po's, zeg maar), wiegen, vuurschermen, theestoven, boekenmolens, secretaires, portemanteaux: Van Voorst beschrijft het allemaal met onvermoeibare mildheid. Honderdvijfentachtig meubeltypen onderscheidt hij. En al zullen er weinig lezers zijn die niet opkijken van een aantal daarvan - rariteiten als krantenhangers, kijkstoelen - een van de charmes van het boek is dat je er zo vaak hevig vertrouwde objecten in tegenkomt.

Van Voorst vertelt over de meubelmakers en meubelfabrieken, bespreekt de materialen en behandelt de stijlontwikkelingen, zegt iets over wie welke soort meubels kocht en levert van elk belangrijke type en genre afbeeldingen. Nooit schiet hij uit de slof en schrijft: wat een wangedrocht - want wangedrochten zijn erbij - of: dit is nu eens echt mooi. Evenmin waagt hij zich aan speculaties over de mentaliteit van de mensen die zich omringden met al dat meubilair, mensen voor wie een keukenstoel in de salon hetzelfde als een vloek in de kerk moet zijn geweest.

Er zijn al heel wat auteurs geweest die op uiteenlopende manieren hun mening over de negentiende-eeuwse smaak hebben gegeven. Het blijft ook een fascinerend onderwerp. Maar dat is beduidend makkelijker dan wat Van Voorst heeft gedaan. Zijn feiten en voorbeelden zijn moeizaam uit archieven, veiligcatalogi en oude tijdschriften bij elkaar gesprokkeld. En dat de lezer daarbij toch heel veel te weten komt over het leven in de negentiende eeuw is een gelukkige bijkomstigheid.