CERN groeit ook oostwaarts

CERN (Centre Européenne pour la Recherche Nucléaire) werd in 1954 te Genève opgericht door twaalf Europese landen, ter bevordering van "de samenwerking tussen Europese landen op het gebied van het kernonderzoek van zuiver wetenschappelijke aard'.

Alleen door samenwerking zou het mogelijk worden om zeer grote versnellers te bouwen en de Verenigde Staten bij te benen. De organisatie werd een enorm succes en wordt vaak een schoolvoorbeeld genoemd van internationale wetenschappelijke samenwerking.

Momenteel heeft CERN 17 lidstaten. Met uitzondering van Ierland en Luxemburg zijn alle Westeuropese landen bij de organisatie aangesloten. Al snel na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn trad ook het eerste Oosteuropese land toe, Polen (1 juli 1991), en op 1 januari 1992 volgde Tsjechoslowakije. In feite kloppen alle Oosteuropese landen nu op de deur, wat mogelijk is omdat in de statuten van CERN Europa ongedeeld is. Walter Hoogland is mede verantwoordelijk voor het onderhouden van contacten met niet-lidstaten en hun eventuele toetreding.

Hoogland: "We voeren een actief beleid, maar dat is niet moeilijk omdat er vanuit de Oosteuropese landen zèlf een grote belangstelling bestaat om lid te worden. Het feit dat Polen op 1 juli werd binnengehaald illustreert dat. Polen heeft een groot assortiment deeltjesfysici, die zich eigenlijk al voortdurend op het Westen richtten. Ondanks hun gebrekkige middelen hebben zij altijd wegen gevonden om in de experimenten op CERN te kunnen participeren'.

Ook Tsjechoslowakije had volgens Hoogland een goede naam op het gebied van de hoge-energiefysica. Dit land was echter een veel rigider land binnen het Oostblok en had zijn wetenschappelijke contacten veel meer gericht op Dubna (het socialistische equivalent van het CERN, bij Moskou). Hoogland: "In feite mòchten de fysici niet eens naar CERN, dat werd gewoon tegengewerkt. Met de stroomversnelling die nu gaande is, zijn al deze barrières verdwenen'.

Hongarije wordt op 1 juli lid van CERN en met Roemenië, Bulgarije en Albanië zijn de eerste contacten gelegd. Ook Joegoslavië klopte na het verdwijnen van het IJzeren Gordijn op de deur. Dit land was een van de oprichters van CERN, maar stapte er later om politieke redenen uit. "We waren vrij ver gevorderd op de weg naar een nieuw lidmaatschap van Joegoslavië', aldus Hoogland, "maar dat ligt nu in de ijskast'.

Onduidelijk is ook hoe de samenwerking met de Russen zich zal ontwikkelen. De meeste instituten liggen in Rusland en dat is ook de staat die officieel de verplichtingen van de voormalige Sovjetunie heeft overgenomen. De argumenten voor samenwerking met de Russen zijn volgens Hoogland gedeeltelijk eigenbelang, "maar gedeeltelijk ook het gevoel dat er een zekere plicht rust op de rest van de wetenschappelijke wereld om te zorgen dat dit land zijn wetenschappelijk-culturele ruggegraat behoudt'.

Het jaarbudget van CERN voor 1992 bedraagt 1,1 miljard gulden. De jaarlijkse bijdrage van de lidstaten is gebaseerd op hun nationaal inkomen, maar met de nieuwe landen worden speciale overgangsregelingen getroffen. "Er moet natuurlijk wel zicht zijn op een toestand waarin ze uiteindelijk hun normale contributie betalen', vindt Hoogland. "Met Finland (dat op 1 januari 1991 CERN-lid werd) is de regeling getroffen dat het na vijf jaar de volle contributie betaalt en dat wat het nu niet betaalt in het eigen land stopt voor het verbeteren van de infrastructuur voor de deeltjesfysica'. Bij het veel armere Polen en Tsjechoslowakije werd een overgangsregeling van acht jaar overeen gekomen, met in de eerste vier jaar een constante, zeer geringe, bijna symbolische contributie.

Foto's: Luchtopname CERN met de ligging van de LEP en mogelijk dus de toekomstige LHC

Deel van de LEP-versneller. De LHC zou boven de LEP komen te staan