Bezorgdheid over autoritaire richting in strafrecht; De anonieme getuige werd ingevoerd voor zware misdrijven, maar verschijnt nu ook in verkeerszaken; Dient de klassieke rechtsbescherming van het individu niet onverkort te gelden inzake elektronica?

Politie en justitie veroorloven zich in de dagelijkse praktijk nogal wat vrijheden ten opzichte van hun wettelijke bevoegdheden, signaleerde mr. C.P.M. Cleiren vanmiddag in haar intreerede als hoogleraar strafrecht aan de Erasmusuniversiteit. Infiltratie in criminele milieus is een voorbeeld. Ook het gebruik van technisch hoogwaardige opsporingsmiddelen als richtmicrofoons - die de zorgvuldig door muren, deuren en het huisrecht beschermde woning tot een glazen kastje maken - zal men vergeefs zoeken in het Wetboek van strafvordering.

Politie en justitie voeren ter rechtvaardiging aan dat de in de wet omschreven opsporingsmethoden sterk zijn verouderd en niet zijn afgestemd op de aard en omvang van de hedendaagse criminaliteit. Het gemak waarmee de burger dit argument accepteert vindt prof. Cleiren in schril contrast staan met de opwinding die ontstaat als verdachten door vormfouten van de justitie op vrije voeten komen. Het steekt ook af tegen de afkeuring die dicht bij de hand is als onze aandacht wordt gevestigd op enigerlei onrecht in het buitenland.

Neem de doodstraf die in mei in de Amerikaanse staat Virginia werd voltrokken aan Roger K. Coleman. Hij was door een plaatselijke jury veroordeeld wegens een gruwelijke moord, voorafgegaan door verkrachting. Van meet af aan was de stemming tegen hem. Het politie-onderzoek vertoonde mankementen, maar zijn (toegevoegde) raadslieden hadden nagelaten ontlastende bewijsmiddelen na te trekken of zelfs maar in het midden te brengen. Toch hielden rechters het er in verschillende beroepsprocedures op dat zij daarin niet meer konden treden. Het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties heeft (in het geval van Jamaica) echter uitgesproken dat juist de hogere rechter de plicht heeft ambtshalve na te gaan of een doodvonnis voldoet aan alle eisen van een behoorlijk proces. Die plicht geldt trouwens voor àlle strafzaken, voegde het comité daaraan toe.

Nederland heeft al meer dan een eeuw geleden de doodstraf afgeschaft. Het is gebonden aan het VN-verdrag dat een behoorlijke rechterlijke controle voorschrijft. Maar de rechtspraak van onze Hoge Raad is niet immuun voor het elders zo gevaarlijk gebleken afschuifmechanisme in de richting van de verdediging.

Typerend is een geval dat onlangs voor de Hoge Raad kwam en waarin een rechter-commissaris tijdens het vooronderzoek had nagelaten zich er van te vergewissen dat een getuige die anoniem wilde blijven, daarvoor een goede reden had. De Hoge Raad tilde daar zo zwaar niet aan: de verdediging had er achteraf niet over geklaagd. Had de rechter dan geen eigen taak in het bewaken van een behoorlijke procesgang?

Zo heeft de Hoge Raad ook ingestemd met een gerechtelijk vooronderzoek (telefoontap) dat zich geheel achter de rug van de verdachte afspeelt en pas aan de orde kan komen op de eigenlijke terechtzitting. Een pure catch 22: als de verdediging zwijgt, wordt ze geacht de gang van zaken te dekken, maar hoe moet ze weten waar naar te vragen wanneer het vooronderzoek geheim was?

De rechter staat natuurlijk wel onder druk. Al die opwinding over vormfouten. In het Advocatenblad van 4 april herinnerde de Algemeen deken van de Nederlandse orde van advocaten, mr.W.G. van Hassel, er echter met reden aan dat het daarbij wèl gaat om overtreding van strafprocessuele regels. “De oorzaak ligt niet in die regels, maar in de manier waarop ze worden gehanteerd of verwaarloosd.” Ook hij is veeleer bezorgd over het gemak waarmee bijvoorbeeld wordt omgesprongen met de anonieme getuige. Van Hassel: “deze werd aanvankelijk geïntroduceerd voor zware misdrijven, maar verschijnt nu ook in zaken betreffende de Wegenverkeerswet”. En passant brak hij zijn dekenstaf over de toenemende “facilitaire regelgeving ten behoeve van het opsporings- en vervolgingsapparaat”.

Een sprekend voorbeeld vormt de strafbaarstelling van criminele plannen voordat ze tot uitvoering zijn gekomen. Eerder deze maand betoogde mr.M. Rutgers in een Leids proefschrift over dit onderwerp dat de voorgenomen strafbaarstelling vanuit het oogpunt van rechtsnormen heilloos is. Al was het maar wegens de onduidelijkheid wat er nu precies onder valt. Zij geeft het voorbeeld van de aankoop van rattengif, dat zowel voor mens als dier bedoeld kan zijn. Bezwaarlijk is volgens haar niet in de laatste plaats dat de overheid veel informatie nodig heeft om aan te kunnen tonen dat er werkelijk sprake is van een misdadige opzet. Dat kan uit de aard der zaak vaak alleen maar gebeuren met behulp van "subjectieve aanwijzingen', zoals politieke opvattingen, vreemde gewoonten, de aanwezigheid van een strafblad. Het gevaar van Gesinnungsschnüffelei is levensgroot.

Het is te mooi om helemaal toevallig te zijn dat reeds wetgeving aanhangig is om politie en justitie nieuwe toegangsmogelijkheden te geven tot de gedigitaliseerde samenleving die is aangebroken. In de Verenigde Staten wordt op het ogenblik een hele rechtsstrijd gevoerd over invallen van de politie bij computerfanaten, om zogeheten elektronische bulletinborden in beslag te nemen wanneer daar bijvoorbeeld informatie van dubieuze herkomst op wordt aangetroffen. Dient de klassieke rechtsbescherming van het individu niet onverkort te gelden voor de elektronica van de toekomst? In Nederland beijvert het ministerie van justitie zich ervoor te zorgen dat deze vraag helemaal niet aan de orde hoeft te komen. Er wordt de laatste hand gelegd aan wetgeving die justitie en politie computeronderzoeksbevoegdheden geven die internationaal zonder precedent zijn. Officieel gaat het om de bestrijding van computercriminaliteit, maar de nieuwe bevoegdheden zijn zo ingekleed dat ze ook opgaan voor alle delicten waarbij de overheid een computerinval nuttig oordeelt. In een samenleving waarin steeds meer informatie langs elektronische weg gaat, is dat een griezelige gedachte.

Mevrouw Rutgers geeft een opmerkelijke verklaring voor de trend van verharding: de autoritaire richting in het strafrecht, waarin de burger niet wordt beschouwd als iemand die recht heeft op een eigen vrije sfeer, maar als een bron van gevaar waartegen de overheid zo vroeg mogelijk moet optreden. Het is een beladen aanduiding, want deze richting heeft vooral van zich doen spreken door het nationaal-socialistische strafrecht in Duitsland. Toch heeft ook ons land voor de oorlog een vleug meekregen, te beginnen met de "afweerstuip' na Troelstra's oproep tot de revolutie in 1918. Bevestiging van de "staatsautoriteit' werd prioriteit. De invloed van de autoritaire richting is volgens de vakliteratuur overigens “zeer beperkt” gebleven. Het bleef zo'n beetje bij verruiming van de beledigingswetgeving (godslastering, bevolkingsgroepen, openbare lichamen en ambtenaren) en afschaffing van de wettelijke opdracht een verdachte te waarschuwen dat hij niet tot antwoorden verplicht is.

Godslastering is inmiddels een dode letter en de waarschuwing van de verdachte is in 1973 weer hersteld. Ook hiervan heeft de moderne rechtspraak echter al weer wat afgeknabbeld. Misschien is het werkelijk waar dat in Nederland alles altijd vijftig jaar later gebeurt.