Verward kunstbeleid

BIJNA TWAALF UUR lang heeft de Tweede Kamer deze week gediscussieerd over de nota Investeren in Cultuur waarin minister d'Ancona het kunstbeleid voor de komende vier jaar heeft geschetst. Het was een curieus debat en het laatste bedrijf van een waar treurspel. Tijdens het debat werd zoveel verwarring geschapen, dat soms alleen de minister zelf en de twee cultuurspecialisten van de regeringspartijen, Beinema (CDA) en Niessen (PvdA), er nog een touw aan vast konden knopen.

Beinema en Niessen ontpopten zich als een alternatieve tweemans-Raad voor de Kunst en het wekt geen verbazing dat hun collega Dijkstal (VVD) hen betitelde als de nieuwe "Rijkskunstmeesters'. Enkele maanden geleden corrigeerden Niessen en Beinema al de omvangrijkste ingreep van de minister: een bezuiniging van negen tot zestien miljoen gulden op de orkesten en de opera buiten de Randstad mocht ze niet doorvoeren. Minister d'Ancona gaf toe, ze kwam in het Kunstenplan op haar eigen uitgangspunten terug en ze lanceerde een alternatief: een subsidieverlaging en inkomstenmaatregel voor alle orkesten, toneel- en dansgezelschappen. Zo hoopte ze alsnog geld te vinden voor de kunsten die ze wat extra wilde geven, zoals film en architectuur. Tijdens het Kamerdebat bleek de bezuiniging op de podiumkunsten niet haalbaar. Beinema en Niessen lagen dwars, evenals de woordvoerders van de meeste andere partijen en de subsidieverlaging gaat nu maar ten dele door.

Wie de gang van zaken overziet, kan maar tot één conclusie komen: voor deze minister wegen de ideeën van Beinema en Niessen zwaarder dan die van de Raad voor de Kunst, waarvan ze verschillende adviezen genegeerd heeft.

Maar dat is niet het enige zorgelijke feit. Tijdens het Kamerdebat werd er zoveel gewijzigd aan het Kunstenplan dat van een samenhangend kunstbeleid nu helemaal geen sprake meer is. Beleidsvoornemens werden door elkaar geklutst, subsidies verlaagd, verhoogd of weggestreept, zonder dat iemand de gevolgen kan overzien.

De meest controversiële maatregelen van de minister zijn weliswaar van tafel, maar dat betekent niet dat de kunsten er in hun totaliteit beter vanaf komen. De minister haalt nu geld weg bij het Fonds voor de Podiumkunsten en bij de subsidies voor beeldende kunstopdrachten. Daarmee gebeurt precies wat de Raad voor de Kunst al had gevreesd: namelijk dat in de krappe fondsen voor eenmalige subsidies naar believen wordt gegraaid. Hierdoor worden vooral beginnende kunstenaars gedupeerd.

DE OMVANG van het kunstbudget blijkt nog steeds een onaantastbaar gegeven. De minister is trots dat ze het in stand heeft kunnen houden terwijl minister Kok (financiën) de kunstsubsidies voor een deel wilde afschaffen. Vrijwel de hele Tweede Kamer blijkt het er nu over eens dat het budget te laag is en dat hiermee geen verantwoord kunstbeleid mogelijk is. De oppositie wilde er daarom tien miljoen bij doen, de regeringspartijen willen met verhoging wachten tot na de volgende verkiezingen.

Afgezien van het budget, is de aanmatigende opstelling van de minister verontrustend. Ze wil dat de kunsten zich meer op de samenleving richten. De kunst staat in dit land op een hoog niveau en het is niet de taak van een minister van Cultuur de kunsten te dwingen aan haar populistische eisen te voldoen.