Twee zieke heren

De vorige ontmoeting tussen de presidenten Bush en Jeltsin was de eerste topconferentie van de tweede rang. Voor een ouderwetse topconferentie zijn niet alleen twee supermachten nodig maar aan het hoofd daarvan ook leiders die met hun retoriek de wereld ervan kunnen overtuigen dat dank zij hun staatsmanschap de mensheid nog toekomst heeft. Reagan en Gorbatsjov hebben die indruk nog kunnen wekken; tussen Bush en Gorbatsjov was de verhouding al principieel veranderd en door Jeltsin wordt niet meer vertegenwoordigd dan een noodlijdende grote mogendheid met atoomwapens. Als supermacht is Amerika ook niet meer de oude.

De toestand van het land deelt zich mee aan de leider, zoals ook het omgekeerde het geval is. Na de overwinning in de Golf leek Bush de onkwetsbare president die zonder serieuze concurrentie op zijn volgende termijn aanstuurde. Dat is nog geen anderhalf jaar geleden. Zelden zal iemand met zoveel troeven in handen zijn spel zo grondig hebben bedorven. Aan Baker is het te danken dat het vredesoverleg in het Midden-Oosten nog voortgang vindt. De president zelf heeft niets met zijn politieke kapitaal weten te beginnen. Zijn bange gedrag tegen Pat Buchanan in de voorverkiezingen heeft bewezen dat hij geen samenhangende ideeën heeft, en dus ook niet de overtuiging om daarvoor op de bres te staan. De Amerikaanse maatschappij - daarover zijn nu alle deskundigen het wel eens - is in verval. Los Angeles is daarvan niet meer dan een duidelijk signaal. Bij gebrek aan leiders met een stoutmoedig programma om de neergang te keren wendt men zich tot de kwakzalvers en dat is dan een nog duidelijker teken van crisis. Tegen de opkomst van de superkwakzalver Ross Perot heeft Bush nog steeds geen strategie kunnen verzinnen. De president heeft zichzelf gereduceerd tot een gehavend politicus wiens voornaamste programmapunt is dat hij zichzelf graag herkozen zou zien.

Op een andere manier staat zijn partner aan de top er nog minder florissant voor. Na de opheffing van de Sovjet-Unie is er wel één groot probleem verdwenen, maar het geheel is er niet eenvoudiger op geworden. Jelstin heeft binnen een beperkter gebied vrijwel alles geërfd wat Gorbatsjov noodlottig is geworden. Zo verschijnen aan deze tweede top van de tweede rang politiek gesproken twee zieke heren van wie er een zijn kapitaal heeft verbruikt terwijl de andere ook niet meer degene is die hij was toen hij op een tank klom. Het lijkt lang geleden dat hier over "wereldleiders" werd geschreven.

Het blijkt dat een ontmoeting onder dergelijke omstandigheden voordelen kan hebben. Het zal het Russische en het Amerikaanse publiek beide bevallen als de dump van de Koude Oorlog zo snel mogelijk wordt opgeruimd. In een oogwenk is men het erover eens geworden dat de strategische kernbewapening min of meer zal worden gehalveerd. Wat overblijft is nog voldoende om elkaar een aantal malen te verwoesten, maar dit denkbeeld is intussen te absurd geworden om in de verste verte nog een rol te kunnen spelen. Voorgezette beperking van de bewapening dient niet meer in de eerste plaats de "ontspanning" - ook een verouderd begrip - maar is de inleiding tot een programma op lange termijn dat een minimum van duurzaam evenwicht in de voormalige Sovjet-Unie moet verzekeren.

Hier zien we pas goed hoe traag de politiek van het Westen in zijn geheel tot ontwikkeling komt. Van het ogenblik af waarop het vaststond dat de Sovjet-Unie van een tegenstander was veranderd in een potentiële chaos met bijbehorende internationale risico's is in het Westen overwogen hoe dat gevaar moest worden bedwongen. Terwijl allerlei vormen van hulp voortgang vonden, soms omvangrijk, is het Westen als geheel er in drie jaar nog niet in geslaagd tot een politiek te komen waarin methode, termijn, hoeveelheid en het aandeel van de hulpverlenende landen tot een gecoördineerd geheel zijn verwerkt.

Intussen is het niet meer zo gesteld dat hulpverlening zich in den blinde hoeft te voltrekken. De Duitsers hebben hun onthutsend leerzame ervaring in de DDR. We weten dat de schoktherapie in Polen is mislukt. Het plompverloren introduceren van de vrije markt blijkt niet de manier te zijn om binnen redelijke termijn de voormalige commando-economieën tot een redelijke mate van levensvatbaarheid te bevorderen, dat wil zeggen zo levensvatbaar dat niet grote groepen met verpaupering worden bedreigd.

Hoe meer ervaring het Westen met de hulp aan de vroegere tegenstander heeft verzameld, hoe duidelijker het is geworden dat er behoefte bestaat aan een plan dat in zijn reikwijdte, hoewel niet in de methoden, vergelijkbaar is met het Marshallplan. Men kent de noodzaak. Men slaagt er niet in de politieke verlamming te doorbreken als het erop aan komt een economische strategie te ontwerpen, vergelijkbaar met de militaire strategie waarop men dagelijks zijn best deed toen de Koude Oorlog nog woedde. Ook van Bush en Jeltsin zal dat plan niet komen. Met de ondergang van het Rijk van het Kwaad is ook de verbeeldingskracht van het Rijk van de Deugd verdwenen.