Muzikaal vuurwerk bij Canadees orkest

Concert: Orchestre Symphonique Montréal, Laurens Cantorij en Kamerkoor Rotterdams Conservatorium o.l.v. Charles Dutoit, met medewerking van Chantal Juillet (viool). Programma: Stravinsky, Feu d'Artifice en Concerto en Ré voor viool en orkest; Ravel Daphnis et Chloé. Gehoord: dinsdagavond in Grote Zaal Concertgebouw Amsterdam.

Al direct bij de vertolking van Stravinsky's Feu d'Artifice werd duidelijk waardoor het Symfonie orkest van Montréal onder leiding van de vaste dirigent Charles Dutoit tot een ensemble van wereldklasse kon uitgroeien. Het was inderdaad een muzikaal vuurwerkje dat Dutoit met zijn uiterste precisie, pakkende weergave van ingewikkelde ritmische figuren en ogenschijnlijk losse zwier in Strawinsky's korte jeugdwerk ontstak.

In het neo-classicistisch geconcipieerde vioolconcert uit 1931 zijn solo- en ensemblepartij dermate in elkaar verstrengeld dat dirigent en violist volkomen op elkaar zijn aangewezen. Chantal Juillet en Charles Dutoit speelden elkaar inderdaad, zoals het hoort, op een joyeuse manier muzikaal de bal toe. In de cantilenes van de beide aria's, maar in het bijzonder die van de tweede, maakte de violiste grote indruk met haar stralende innere toon en geconcentreerde voordracht. In de begeleiding doceerde Dutoit de suggestieve ensembleklank zodanig dat Chantal Juillets beheerste passie optimaal tot zijn recht kon komen.

Ravels Daphnis et Cloé is ontegenzeglijk een van de grote muzikale meesterwerken van de 20ste eeuw. Dat werd nog eens duidelijk door de meesterlijke wijze waarop orkest en koor onder Dutoits sublieme leiding deze balletmuziek vertolkten. Met de eigenzinnigheid van een waarlijk groot kunstenaar maakte Ravel het zijn opdrachtgever Diagilev behoorlijk lastig door af te wijken van Fokine's scenario waar hem dat zo uitkwam. Zijn eigen op een herdersroman geïnspireerde voorstelling van een tegelijk sereen-schoon en heidens-barbaars Hellas weigerde hij ondergeschikt te maken aan de praktische wensen van het ballet.

Symfonisch is het werk voorzover Ravel hier met behulp van een beperkt aantal thema's en motieven een organische eenheid tussen de sterk variërende onderdelen tot stand brengt: dit alles om de eigen visie zo sprekend en helder mogelijk kenbaar te maken. Dutoit ontgaat niet het geringste detail in de partituur. Hij geeft deze steeds het juiste muzikale accent. Tegelijk bezit hij het vermogen op meeslepende wijze via lange melodische lijnen en een uitgekiende dynamiek te komen tot muzikale climaxen van imponerende schoonheid en vervoerende kracht. En let wel: ook als orkest en koor op volle sterkte musiceren, dan nog blijft de samenklank transparant en zinderend van muzikaal leven. Het moet trouwens voor de beide door Barend Schuurman voortreffelijk ingestudeerde koren een bijzondere gewaarwording zijn om door Dutoit te worden gereduceerd tot een schijnbaar willoos, volledig geïntegreerd onderdeel van het symfonisch geheel.

De dirigent verhevigt de expressie waar dat nodig is, geeft stampende, barbaarse ritmen het volle pond, laat ook de literaire betekenis van het verhaal via soms geestige muzikale commentaren goed tot zijn recht komen. Zijn bijzondere verdienste is ten slotte de natuurlijke manier waarop hij muziek laat ademen. Daardoor kunnen in de meer verstilde lyrische passages houtblazers de droom van de eenheid van schoonheid en geluk tot levende werkelijkheid maken.