Miskende dimensie van Deens verzet

De tegenstand in Denemarken tegen de EG was al jaren merkbaar door de afwijzing van alle culturele samenwerking in EG-verband. Een teken aan de wand was het Deense verzet tegen de EG-richtlijn over grensoverschrijdende tv-uitzendingen van 1989. De Europese Commissie noemde die uitzendingen "grensoverschrijdende economische dienstverlening'. De Denen protesteerden als enigen en stelden dat televisie vooral een instrument voor cultuuroverdracht is.

De Deense bezorgdheid voor verlies aan nationale soevereiniteit en culturele identiteit heeft een onderschatte extra dimensie, die in andere EG-landen ontbreekt. De Denen hechten niet alleen grote waarde aan behoud van de eigen culturele identiteit, maar zijn er zich bovendien sterk van bewust dat die is verankerd in de grotere Skandinavische cultuurgemeenschap. Van deze wortels willen ze niet afgesneden worden. Hun verzet tegen "Maastricht' is vooral gericht tegen de bevoegdheden die de EG heeft gekregen tot inmenging in het cultuurbeleid van de lidstaten.

Ook in Nederland bestaat bezorgdheid over die bevoegdheden van de EG, zoals blijkt uit de activiteiten van het "Comité Buitenlands Cultureel Beleid'. Dat bezwoor de regering anderhalf jaar geleden al om in Maastricht een cultureel artikel aan de EG-verdragen toe te voegen, waarin de handhaving van de nationale en regionale culturele autonomie voorop zou staan. De regering luisterde niet en legde een tekst voor die tot verregaand verlies van culturele soevereiniteit kan leiden. Ook op dit punt zou een herziening van de resultaten van Maastricht op zijn plaats zijn.

Wat minimaal nodig is om de latente Eurofobie die allerwegen bestaat te bezweren, is een ondubbelzinnige verklaring in de aanhef van het Verdrag van Maastricht, dat de nationale soevereiniteit alleen zal worden ingeperkt op grond van het subsidiariteitsbeginsel: als het gemeenschappelijke belang dat absoluut nodig maakt. De subsidiariteitsgedachte is wel in het verdrag opgenomen, maar niet als beginselverklaring. Verder dient als beginsel te worden vastgelegd dat de culturele autonomie van de lidstaten en hun regio's onaantastbaar is.

Een dergelijke formule staat sinds jaar en dag in de grondwetten van federale staatsverbanden.

Politici die hun kiezers op dit punt niet geruststellen, laden een zware verantwoordelijkheid op zich voor de toekomst van de EG.